Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was in het oog der herboren ouders een onschendbaar heiligdom. Vandaar, dat de christenmoeder, adellijk of arm, het zich tot een plicht rekende, zelf haar kind te voeden; vandaar, dat zij, reeds bij het eerste ontluiken der rede, alle zorgen besteedde, om haar kind in het geloof te onderwijzen en te vormen tot kinderlijke godsdienstigheid. Maar tegelijk was het voorbeeld van vader en moeder de groote leermeester dier menschelijke engelen, wier onschuld den ouders boven den oogappel dierbaar was. Terwijl het heidensch kind reeds in de prilste jeugd diep bedorven was, groeide het christenkind op in een heiligdom van levendig geloof, blijde hoop en werkdadige liefde; zoo werd het gevormd tot den zwaren levensstrijd, die wellicht een strijd zal worden op het bloedig martelveld, waar zoo menig christenkind het zich tot hoogste gewin rekende, reeds in de lente des levens zijn bloed voor Christus te vergieten.

2°. De Kerk gaf niet alleen aan het kind een christenvader en moeder, maar bond tevens den strijd aan tegen de heidensche wijsbegeerte en wetgeving. Krachtig klonk het woord van Clemens van Alexandrië l), van Tertulliaan 2), van Lactantius 3), van Theodoretus 4), van Athenagoras 5), van Justinus 6), Minutius Felix7) en anderen, zoowel in het Oosten als in het Westen. De muren van het grieksch-romeinsch Jericho bleken niet bestand tegen de machtige bazuinstooten der christelijke wijsbegeerte en welsprekendheid. Onder den invloed der Kerk, begon de burgerlijke wetgeving het kind te beschermen, en deze bescherming zal zich krachtiger doen gelden, zoodra, na de bekeering van Constantijn, Kerk en Staat de handen vriendschappelijk ineenslaan.

3°. De Kerk vaardigde bovendien strenge strafbepalingen uit tegen plichtvergeten ouders. Bijzondere synoden hadden zelfs bepaald, dat een moeder, die haar kind vermoord had, nimmer meer den drempel eener kerk overschrijden, nooit zelfs de H. Teerspijze meer ontvangen mocht8). Deze onverbiddelijke

') Pcedag. lib. II, cap. IV. 2) Apol. IX. 3) Div. Instit. lib. VI, de vero cultu, cap. XX. 4) De Graecoram aff. Sermo IX. 5) Leg. pro Christ. 6) Apol. I. 7) Octav. § 30. 8) Conc. Ancyr. (318) en Eliber. (300) bij Gaume, II, p. 131.

Sluiten