Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„De veertig" hebben toen hun zaak gébracht op de Part. Synode van Groningen. Deze benoemde alweer een commissie, die 16 Juli 1930 alhier verscheen. Eerst werd er vergaderd met „de veertig". Daarna met de kerkeraad. Deze commissie bleek te voelen voor verwijdering van de predikant, 't zij door emeritaat of losmaking. Maar was het wel mogelijk! 's Middags-5 uur kwam de commissie, na een vooraf door haar gedaan verzoek, waarin wij gaarne toestemden, bij ons in 't lokaal. Deze heeren waren wel op de hoogte van hun taak, maar gingen toch tot onze spijt niet op de kwestie der doleantie in. Misschien niet, omdat ze zoo goed op de hoogte waren? Hun spreken was in hoofdzaak één doorloopende poging, ons te overtuigen, dat we hadden moeten doorgaan tot en met de Gen. Synode. Wat formeel natuurlijk juist is, en ook door niemand onzer wordt ontkend. Maar zelfs deze hoogstaande commissie had tegen ons anders geen argument...

Wij hebben gewezen op de doorloopende en in 't oog vallend,eenzijdige houding van de meerdere vergaderingen en verklaard, dat wij onze Godsdienst daaraan niet langer wilden opofferen. Zij beweerden, dat door de meerdere vergaderingen steeds naar vermogen recht werd gedaan. Wij hebben dat ontkend en gezegd, dat bij een conflict tusschen predikant en kerkeraad als regel de pred. in 't gelijk werd gesteld; terwijl bij een geschil, tusschen kerkeraad en gemeenteleden de laatsten zoo goed als nooit hun recht verkregen. We schoten niets op. Tenslotte heb ik ze, geheel persoonlijk, deze weg aangewezen als m.i. de eenige die nog tot herstel kon leiden: aftreden van de kerkeraad te de Leek; de doleerende kerkeraad in hun plaats, aangevuld met eenige mannen zooals de Bijbel die eischt; de predikant stil zijn tijd laten uitdienen. Zijn verwijdering zou m.i. niet veel aan de zaak veranderen, althans de noodtoestand niet doan ophouden. Volgt men deze weg, dan zal er weer werkelijk Geref. leven in de kerk van de Leek kunnen komen; al zal dan de groep, die nu de zaak verwoest, waarschijnlijk uittreden. Deze groep heb ik vergeleken bij een patiënt, die na langdurige ziekte aan zóóvele kwalen lijdt, dat men onmogelijk meer kan zeggen: dat scheelt hem. De geestelijke ziekte van de kerkeraad etc. van de Leek-is in dat vergevorderd stadium. De heele toestand is kapot, 't Speet me, dat ik met één der leden van deze commissie, een bejaard predikant die ik altijd had hooggeacht, een treurige ervaring moest opdoen. Ik meende het gesprek te mogen brengen op een smalende zinsnede, die bedoelde predikant indertijd had gebruikt over onze doleerende kerkeraad; terwijl er nog een uitdrukking volgde, die beleedigend voor mij bedoelde te zijn. Het laatste heb ik gelaten wat het was. Doch beleefd maar beslist heb ik gezegd, dat dit geschrijf in de Gron. Kerkbode mij pijn had gedaan, juist omdat die oude prediker dat schreef over mannen, die ik zeer hoog waardeerde en waaraan ik in de strijd voor waarheid en recht in deze gemeente zeer veel steun heb gehad. Z.E.w. zei, dat hij zich niet goed meer herinnerde, wat hij geschreven had. Wat wel echt kan zijn. Hij zou het nazien, en ik zou er wel meer van hooren. Bij het afscheid werd dit nogeens herhaald. Echter heb ik er nog nimmer iets over vernomen. Dat is in elk geval niet echt

Sluiten