Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

menschen: zij verontreinigen het vleesch en verwerpen de heerschappij (vs. 8). De wet, zoo leerden zij, heeft afgedaan. Het vleesch, de oude mensch, wordt verdorven. Geen zonden houden den christen uit den hemel. En daarom komt het op het leven minder aan. Ja, hoemeer het vleesch aan de zonde zich overgeeft, des te eer gaat het ten onder. En wat de overheid aangaat, de banden van het gezag, van wet en gebod, zijn immers met de vrijheid der christenen in strijd. Weg er dus mee!

Als een trouwe wachter op de muren van Zion slaat Judas alarm en roept hij allen op tot den strijd tegen deze wolven in schapenvacht. In heilige verontwaardiging grijpt hij ze aan en scheurt hij het bedriegelijk kleed van hunne gehuichelde vroomheid weg, om ze in hunne schande ten toon te stellen. Hij brandmerkt hen als geesteskinderen van Kaïn, den stamvader van het slangenzaad ; van Bileam, den valschen profeet, die het woord Gods sprak om vuil gewins wille; van Korach, den oproerling, die met zijne bende opstond tegen het wettig gezag en alzoo verwoesting in Gods gemeente aanrichtte. Evenals Petrus noemt hij hen „smetten" in de gemeente, en „waterlooze wolken van de winden omgedreven". Maar hij voegt er ter uitbeelding van hun loos en boos bestaan nog andere beelden aan toe. Ze worden vergeleken bij boomen in het afgaan van den herfst, zonder vrucht en zonder leven, ja tweemaal verstorven en ontworteld (vs. 12). Hij beschrijft ze als wilde baren der zee, die hun eigen schande opschuimen en daardoor verwoesting aanrichten; als dwalende sterren, welke allen, die er zich door laten leiden, in het verderf voeren (vs. 13). En eindelijk wijst Judas er nog op, dat ze te kennen zijn aan een zucht tot murmureeren en klagen over hun staat en lot, terwijl ze het vleesch voeden; en aan eene opgeblazenheid, als verstonden zij eerst recht de verborgenheden van het evangelie, met vleierij van degenen, van wie zij denken voordeel te kunnen halen (vs. 16).

Ziedaar in het kort, wat de Heilige Schrift aangaande de antinomianen leert. De naam, waaronder zij als be-

Sluiten