Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

achtig mystieken drang, hoe klein en onzuiver ook, dat in dè nietchristelijke mystiek sluimert, wakker en heft het boven zich zelf uit. In zooverre is het critisch in den reeds vroeger ontwikkelden zin van ont-bindend en ver-bindend. Zonder een norm is de adel der mystiek weg. Dan moet zij zich vergenoegen met te zijn „the consciousness of a Beyond" x), of „the instinct for transcendence'' *). Zij loopt dan zelfs gevaar haar voorwerp geheel te verliezen en onder te gaan in het moeras van het wonderlijke en vreemde zonder eenige qualiteit.

Het ontbreekt nirt; aan definities van mystiek en daaronder aan de meest uiteenloopende. Inge geeft een bloemlezing van 26, en voegt dan nog de zijne daarbij ■). De noem er enkele, als teekenend voor het verschil van opvattingen. Een der fraaiste is die van Bonaventua: „est animi extensio in Deum per amoris desiderium", d. i. de uitstrekking van den geest naar God door de begeerte der liefde. Geheel anders, de mystiek beperkend tot het boven-natuurlijke in den zin van het wonderbaarlijke, is die van een vertegenwoordiger der R. Catholieke kerk van onzen tijd, 1'abbé Migne: „La mystique est la science d'état surnaturel de 1'ame humaine manifste dans le corps et dans 1'ordre des choses visibles par des effets également sur naturels". Goethe zegt: mysticism is the Scholastic of the heart, the dialectic of the feelings; Noach: „Mysticism is formless speculation". In de laatste beide gevallen ontbreekt het voorwerp en het godsdienstige karakter der mystiek. Overigens is de eene a-theoretisch, de andere theoretisch gericht. Vaughan: „Mysticism is that form of error which mistakes for a Divine manifestation the operation of a merely human faculty". Hier is het religieuze karakter bewaard gebleven, maar de critiek zóó ver gedreven, dat de mystiek zelfbedrog wordt. Inge zelf is mysticus. Hij vindt den oorsprong der mystiek in het algemeen in „that dim consciousness of the beyond, which is part of our nature as human beings" *). Godsdienstige mystiek definieert hij als: „the attempt to realise the presence of the living God in the soul and in nature, or more generally, as the attempt to realise, in thought and feeling, the immanence of the temporal in the eternal, and of the eternal in

i) J. B. Pratt, loc. cit., p. 337.

>) Evelyn Underhill, The tnystic way, 1914, p. 3.

*) R. W. Inge, loc. cit., Appendix A, p. 335 ff.

*) R. W. Inge, loc. cit., p. 5.

Sluiten