is toegevoegd aan uw favorieten.

De doleantie en haar kerkrechtelijke beginselen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Kerken uit de Doleantie keerden dus terstond tot de Kerkenordening van 1619 terug. Zij spraken het duidelijk uit, dat zij deze Kerkenordening als levensregel zouden volgen. 134)

Met klem betoogden ze, dat de samenstellende deelen van de Nederduitsche Gereformeerde Kerken geen personen zijn (universitas personarum), maar de organische leden plaatselijke kerken zijn, saamgebonden door geen anderen institutairen band dan dien van de Dordtsche Kerkenordening (universitas ecclesiarum). 135)

Daarom werd groote nadruk gelegd op het hooge gewicht der Credentiebrieven. Op de tweede voorloopige Synode (1890) van Nederd. Gereformeerde Kerken werd dan ook gezegd: „Hier is geen vergadering van eenige ambtsdragers, maar van vertegenwoordigers der kerken; de Credentiebrieven toonen, dat hier dienende vertegenwoordigers van — en niet willekeurig opgeworpen heerschers over — de Kerken tezamen zijn".136)

Nauwelijks aan het juk der Synodale bestuurs-organisatie onttogen, was men natuurlijk ten zeerste op zijn hoede geen nieuw juk weer aan te trekken.

Dr Kuyper sprak op de derde voorloopige Synode (1891) deze treffende woorden: „Er is dit jaar nog eene „Haagsche Synode" samen geweest. Deze vergadert in de Willemskerk onder een soort verwulf in een enge zaal, waar van toehoorders geen. sprake kan zijn. Dit nu is symbolisch: Slechts een Bestuur is daar samen; geen Kerken. Door kronkelgangen, waarin men schier den weg niet kan vinden komt men er". En even eerder: „Niets ook houdt beter den hiërarchisch e n geest tegen, die immers in het hart van iederen ambtsdrager woont, en zoo lichtelijk in Kerkelijke vergaderingen insluipt, dan de tegenwoordigheid der Gemeente Gods".137)

De Doleantie ging in haar kerkverband uit van de zelfstandigheid der plaatselijke kerk. Dit op voet-