Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hemelsch wezen in geenerlei aanraking kon komen met de stof; bij den doop zal deze Christus-van-boven met den mensch Jezus verbonden zijn; als een losse en voorbijgaande verbintenis wordt dit echter voorgesteld; of zijn hemelsch lichaam denkt men zich bij zijn nederdaling op aarde door Maria heen te zijn gegaan, zoodat er een schijnbare geboorte heeft plaats gehad.

Voordat de Katholieke Kerk opkwam, waren er verschillende richtingen in het Christendom; van ketters was er toen nog geen sprake. L,ater, als het proces der katholiseering begint, als de ééne massakerk wordt gesticht, wordt het docetisme contrabande. Des te merkwaardiger, als men dan nog een Clemens Alexandrinus (Strom. VI71, 2) over het eten van Jezus hoort. De historische Jezus van de liberale theologie zal stellig wel geacht worden, zijn leven door opneming van voedsel te hebben onderhouden. Niet aldus oordeelt Clemens Alexandrinus ten opzichte van zijn Jezus. Deze at n.1. niet ter wille van het lichaam; zijn lichaam werd in stand gehouden door een heilige macht. Waarom at hij dan tóch? Hij at, opdat de aanwezigen geen verkeerde voorstelling omtrent hem zouden krijgen, zooals bv. sommigen later het vermoeden hebben gekoesterd, dat hij zich maar in schijn had vertoond. — Men denke zich de hier geteekende situatie goed in: de historische Jezus, die enkel en alleen maar eet ter weerlegging, bij voorbaat, van lang na hem komende docetische ketters! Hieruit blijkt dan ten duidelijkste, dat de menschelijk geteekende Jezus mede vrucht is van anti-docetische polemiek. Wij zijn geneigd te zeggen, en in de beschrijvingen van het leven van Jezus van Nazaret is dat vaak gezegd: dat eten en drinken wijst op een gewoon mensch met een natuurlijk lichaam, dat het zonder spijsvertering niet kan stellen. Clemens Alexandrinus beseft, dat dit menschelijke, z.i. al te menschelijke in het evangelieverhaal een dogmatische reden heeft. En hij citeert (III 59, 3) Valentinus, die in diens brief aan Agathopous zegt: „Jezus at en dronk op een slechts hem eigen wijze, doordat hij de spijzen niet weer van zich gaf; zoo groot was de macht van zijn onthouding, dat de spijs in hem niet aan verderf onderhevig was; want hij zelf was niet aan verderf onderhevig."

Cerinthus, die volgens de overlevering de tegenstander was

Sluiten