Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gij meester van het gemoed. Wie heerseht over den geest, is sterker dan die eene stad inneemt.

Maar ook al is dat hooge ambt van de bediening des Woords voor velen mijner geachte hoorders niet weggelegd, toch mag de hope gekoesterd worden, dat ook hun het onderwerp mijner rede niet onbelangrijk zal voorkomen. Wèl te spreken toch is voor ieder mensch een sieraad, en van den Christen, man of vrouw, eene kostelijke deugd. Meer dan wij vaak meenen, legt de H. Schrift een sterken nadruk op het plichtmatig, op het heilig gebruik van tong en van taal. Niet aan een afzonderlijken stand, maar aan ieder mensch zonder onderscheid houdt Paulus de grondwet aller welsprekendheid voor, als hij zegt: Uw woord zij ten allen tijde in aangenaamheid, met zout besprengd, opdat gij moogt weten, hoe gij een iegelyk moet antwoorden. Wèl te spreken is geen vereischte alleen op den kansel en voor de balie, maar ook in het dagelyksch leven en in het maatschappelijk verkeer. Van deze algemeene welsprekendheid, die van "welbespraaktheid nog te onderscheiden is, is de bijzondere, waarover ik handelen ga, slechts een onderdeel en eene engere toepassing. Ik houd mij daarom van uw aller belangstelling overtuigd, als ik de poging waag, om u die welsprekendheid in haar beginsel, haar wezen en haar vorm achtereenvolgens te schetsen.

Sluiten