Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Heden was ik getuige van eene,Belangrijke woordenwisseling, tusschen twee der meest gevierde geleerden van ons land, in een vak, waarop men zich in Nederland weinig toelegt, de wijsbegeerte, en wel inzonderheid dat gedeelte daarvan, 't welk gewoonlijk met den naam van psychologie, zielkunde, bestempeld wordt; misschien eigenlijker en beter met den naam van kennis van den mensch als bezield wezen. Die wijsbegeerte heeft de studie van den eenen uitgemaakt, eerst als leerling en daarna als Onderwijzer en Hoogleeraar op eene onzer Hoogescholen; hij is met roem op dat veld bekend; schoon zijne denkwijze van vroeger of later, naar het oordeel van onpartijdigen, wel wat veel uiteen loopt, om met zekerheid te kunnen zeggen, welke de juiste meening van den Hoogleeraar in zeer belangrijke zaken is. Hij zelf schijnt dat eenigzins te hebben gevoeld; immers van daar zijne bewering in den loop der improvisatie, dat hij zich niet op dogmatisch, maar wel op kritisch standpunt bevond. De andere is ook een der meest geachte Hoogleeraren aan eene onzer Hoogescholen, de man, die door zijne verklaring van de Hervormde leer, een' aanhang gemaakt heeft onder de Leeraren van den nieuweren tijd. Evenmin als de eerstgenoemde, kan hij zich echter ook op consequentie beroemen, en er zoude menig stuk uit zijne vroegere en latere geschriften kunnen opgegeven worden, dat niet in overeenstemming was met het geheel. Zijn laatste werk: over het materialisme, waarin deze ngting door hem bestreden wordt, was op eene der vergaderingen der tweede klasse van het Koninklijk Nederlandsen

Sluiten