is toegevoegd aan uw favorieten.

Vijf stellingen betreffende leeringen, waarover in de gereformeerde kerken van Nederland in de laatste jaren verschil gevallen is

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In Art. XXIV belijden wij, »dat dit geloof' — waardoor wij gerechtvaardigd worden — »in den mensch gewrocht zijnde door het gehoor des Woords Gods en de werking des H. Geestes," hem wederbaart en maakt tot een nieuwen mensch." In Art. XXXV heet het: »Nu hebben degenen die wedergeboren zijn in zich tweeërlei leven : het ééne lichamelijk en tijdelijk het andere is geestelijk en hemelsch, hetwelk hun gegeven wordt in de tweede geboorte, welke geschiedt door het Woord des Evangelies, in de gemeenschap des lichaams van Christus."

In Zondag VII van den Catechismus, waar gesproken wordt van een oprecht geloof, heet het: «hetwelk de H. Geest door het Evangelie in mijn hart werkt." Nog duidelijker wordt dit voorgesteld in Zondag XXV. Op de vraag toch, vanwaar het geloof komt, dat »ons Christus en al zijne weldaden deelachtig maakt," is het antwoord : «Van den H. Geest, die het geloof in onze harten werkt door de verkondiging des heiligen Evangelies enz."

In de Vijf Artt., Hoofdst. I, par. 3, lezen we: >En opdat de menschen tot het geloof worden gebracht, zendt God goedertierenlijk verkondigers van deze zeer blijde boodschap tot wie Hij wil en wanneer Hij wil; door wier dienst de menschen geroepen worden tot bekeering en het geloof in Christus den Gekruiste." Tot bewijs wordt aangehaald Rotn. 10 : 14, 15 «want hoe zullen zij in Hem gelooven, van wien zij niet gehoord hebben ? enz." Calvijn zegt ter verklaring van die woorden: >En voorwaar, de stem des menschen kan door haar kracht

geenszins tot in de ziel der menschen doordringen Maar

al deze dingen verhinderen niet, dat God door des menschen stem krachtig werkt, om door haar dienst het geloof in ons te scheppen".

In par. 7 en T^ wordt als terloops gezegd, dat het levendig geloof in Christus enz. door God middellijk gewerkt wordt, waarom de middelen gebruikt moeten worden, >door welke Go>d beloofd heeft deze dingen in ons te werken."

In Hoofdst. III en IV, par. 6, wordt beleden : «Hetgeen dan noch het licht der natuur, noch de Wet doen kan, dat doet God door de kracht des H. Geestes en door het Woord of de