Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

religie in haar volmaaktheid. Dat is het naïeve absoluutheidsbewustzijn dat rust in de religieuze ervaring. Het klinkt zoo mooi, zoo vast. In tijden van geestelijke verwarring, van onzekerheid, van gisting, waarin wereldreligies plegen te ontstaan, is het als muziek. „Wij weten." Hoe weet ge dan? Ik heb het gevoeld, het ervaren. Of nog mooier: God heeft het me gezegd. Dat is iets om voor door het vuur te gaan. Men kan het zich niet voorstellen dat anderen het anders ervaren kunnen. Het spreekt toch alles zoo vanzelf. Natuurlijk moet het zoo wezen, dat is de waarheid die wij zoo lang hebben gezocht. Zulk een zekerheid werkt imponeerend, werkt suggereerend. Duizenden die wankelden, meenen ineens vastheid te vinden. Het gaat als een stormwind van ziel tot ziel, totdat heele volken erdoor worden aangegrepen. Dat alles is zoo mooi, zoo waar, zoo oprecht. Wie bewondert niet de onbegrijpelijke toewijding van de discipelen van Boeddha? Ze hebben alle moeilijkheden getrotseerd en werelddeelen overwonnen.

Wie staat niet een oogenblik verbaasd voor het heroïsme van een Paulus? Wat een overtuiging! Wat een kracht! Of wie wordt niet getroffen door het overweldigend élan waarmee de volgelingen van Mohammed in korten tijd alle tegenstanders overwonnen hebben? Dat naïeve absoluutheidsbesef gaat echter langzamerhand verloren. De twijfel ontwaakt en laat zich niet meer bedwingen. Daarom moet bij elke religie in een later stadium de absoluutheid dogmatisch worden uiteengezet, liefst verstandelijk worden bewezen. Dat is het gereflexeerde absoluutheidsbesef, datzich soms met onbegrijpelijke taaiheid eeuwen lang handhaven kan. Toch doet dit dogmatisch absoluutheidsbesef veel minder sympathiek aan. Het wordt gekweekt, kunstmatig in stand gehouden. Het is veel fanatieker dan het naïeve geloof, omdat het op zooveel zelfsuggestie rust. Onder dat fanatisme hoort ge altijd den onbewusten twijfel, maar juist die twijfel moetmet krachtwoorden worden ten onder gehouden. Alleen in een toestand van isolement, wanneer er geen noemenswaardige aanraking is met menschen die het anders voelen, laat het zich handhaven. Zoodra er echter intiemer verband is met anderen, met menschen van andere religie, wordt op eenmaal de twijfel te sterk. Vandaar dat de orthodox-geloovige van elke religie, wanneer hij in aanraking gebracht wordt met anders-denkenden van gelijke ontwikkeling, zich öf fanatiek zal isoleeren, öf in een minimum van tijd geestelijk alle houvast verloren heeft.

Al deze verschijnselen doen zich bij elke religie voor en keeren telkens bij alle volken terug.

In de tweede plaats moeten wij overwegen de overleggingen die

Sluiten