Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gebod niet allereerst gedacht, als ik sprak van: „Veelvuldige overtreding". Daarbij had ik het oog op de veelvuldige overtreding van den „bijzonderen eisch" van dit gebod, de zonden van de kinderen tegen hun vader en moeder.

Wij zouden zoo zeggen: „Is het wel noodig, dat de eisch, om zijn ouders te eeren, in een apart gebod opzettelijk in de wet wordt vastgelegd? Wij zouden zeggen: „Spreekt het niet vanzelf, dat wij hen, aan wie wij ons bestaan (naast God) hebben te danken, die ons met liefde en teederheid hebben omringd, toen wij van ons zelf nog niet wisten, die ons hebben groot gebracht met hun bloed en met hun zweet, die over ons hebben gewaakt en geweend, bij dag en nacht, spreekt het niet vanzelf, dat ieder mensch, hoe boos hij overigens zij, tegenover zijn ouders zich zijner roeping bewust is, zijn roeping betracht, dat hij zijn vader en moeder eert, mint en trouw bewijst?"

Ja, zoo moest het zijn. Helaas, mijn Broeder en Zuster, wij weten maar al te goed, dat het zoo niet is.

Van Kaïn af, den boozen zoon, die zich niet ontzag om, met zijn broeder te dooden, het hart zijner ouders te breken, heeft het nooit ontbroken aan eerbiedlooze, liefdelooze, trouwelooze kinderen.

Tot op zekere hoogte, behooren wij allen, ook de beste onder ons, tot die lange rij van booze kinderen.

Wie bedroeft zijn ouders niet honderdmaal door opstandigheid, door liefdeloosheid?

Een enkel kind mag er zijn, maar hel is er ook niet meer dan één op de duizend, van wien de ouders, als het sterft, met de overdrijving der liefde zeggen kunnen: „Wij hebben er nooit een traan om behoeven te schreien"; maar overigens —?

Wie moet zich bij de herdenking van wat hij in zijn jeugd, in zijn „vlegeljaren" inzonderheid, voor zijn ouders geweest is, niet diep schamen?

Wien leert het zien op eigen kinderen niet, dat het ook in dezen geldt: „Wat mensch is er, die niet zondigt?"

Maar behalve die, laat ik het zoo eens zeggen, gewone overtreders, is er zoon groote menigte, die in boosheid boven de anderen uitsteekt, en op hen heb ik op dit oogenblik vooral het oog.

Ge kunt ze u wel voorstellen, die ik bedoel.

In hun heele prille jeugd wordt hun opstandigheid al openbaar; dan is daar nooit eens een liefelijk zich buigen, een blijmoedig zich laten leiden, dan is er geen teere aanhankelijkheid. Altijd zich verzetten, altijd tegenspreken, gaarne zich onttrekken aan de liefkoozingen van vader en moeder, ruw en rauw antwoorden op vaders en moeders vraag, vooral wanneer zij daarachter een afkeuring vermoeden.

Neen, vader en moeder laten dat niet altijd zoo merken, maar o, hoe vaak, als het kind dan weer de deur is uitgegaan, wordt er een traan weggepinkt, omdat die kleine toch zoo verkeerd doen kan.

Sluiten