Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verheven zijn boven" de veelheid van „slappe schepsels", die langs lijnen van geleidelijkheid hier hun leventje verder sukkelen, strompelend op 't afgebakend pad van conventie en kwalijk begrepen fatsoen (over welk afgebakend padje met z'n sukkelaars De Genestet ook wel eens een woordje had mogen zeggen!).

Wie dit alles weet, die staat verwonderd. Want als hij denkt aan de hel, dan ruikt hij geen zwavelstank, zooals Ejnar in Ibsen's Brand,1) maar dan treft hem de vlammende taal van het onuitwischbare opschrift, dat de slotsom is van alle waarachtige theologie en dat ook in de hel overal zal te lezen zijn: „O diepte van rijkdom en van wijsheid en van kennis Gods!"2) Want hoe dichter hij nadert tot het centrum van de hel, hoe luider hem zich aankondigt en vertoont de veelheid van machtig talent, van grotesken aanleg, van breed intellect, dat de hel zóó maakte, als ze is. De stem der kosmogonie en de lofzang op des Scheppers bontkleurige wijsheid (als Paulus zegt) worden ook daar vernomen in de ongewilde confessie van wie daar komt. De hemelen vertellen Gods eer, maar dat doet eveneens de afgrond, zoo donker daaronder, zij het ook niet „met blijden mond". De hel schrijft geen theologie; toch is ze daarvan de klare bevestiging en 't meest stringent bewijs. En niet alleen is de hel als tegenbeeld van den hemel met zijn pluriformiteit reeds in haar bestaan zelf een objectief bewijs van de grootheid Gods, maar ook subjectief zullen haar bewoners de waarheid van Góds alleenheerschappij en souvereiniteit moeten erkennen. Want wel had Emanuel Swedenborg gelijk, toen hij zeide, dat de verlorenen wenschen, aan den invloed van den hemel en van God onttrokken te worden;

betrekkingen met Paolo, den beminnelijken broeder van baar tegen haar zin opgedrongen echtgenoot Qiancotto. Beiden waren geesten van niet allcdaagsch slag, en hun liefde was zondig, maar machtig in conceptie.

<) ,'k Ruik zwavelstank en 'k zie den duivel om den hoek staan" zegt Ejnar in Ibsbn, Brand, 5e bedrijf, vertaling van J. Clant v. d. Mijl—Piepers, uitgave Meulenhoff & Co., A'dam 1915, bl. 220.

2) Romeinen 11:33 naar betere vertaling.

Sluiten