Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het is mij zulk een voorrecht tot u te mogen spreken, beste zieken, maar ik deed het zoo graag eens met u onder vier oogen. Ik kan zoo moeielijk velen t e g e 1 ij k troosten en ik geloof dat ik, als ik een Roomsch priester was, ook onmogelijk eene generale, algemeene biecht zou kunnen afnemen. Gij moet, deze regelen lezende of u hoorende voorlezen, nu maar denken dat ik vlak naast u zit, uw hand in de mijne neem en tot u zeg: „Broeder of zuster, heb goeden moed! De Meester is daar en Hij roept u." En als gij dan mismoedig zoudt antwoorden: „Maar ik h o o r die stem niet! Gij bedriegt u! Ik ben niet geroepen!" — dan zou ik u heel zachtjes afvragen: wat, gij niet geroepen? Hebt gij geen moeder gehad, die u op Jezus wees en die u misschien zelve ten doopvont heeft gedragen? Hebt gij nimmer iemand ontmoet, die u van den Heiland sprak en u wees op den Redder van zondaren? Zijt gij vroeger nooit in toestanden geweest, waarin de Heer kennelijk en duidelijk bij u aanklopte, bijv. bij den dood van uw vader, of van uw man of uw vrouw of uw kind of van goede vrienden? Zijt gij nimmer in droefheid gekomen, waaruit gij liefderijk zijt uitgered? O denk eens na aan de ver.vlogene dagen! En neem ook deze geschreven roepstem ter harte. Dit boekje wordt u door een ouden man in handen gegeven, die niet zoo heel ver meer af kan zijn van zijn sterfuur, en die evenals gij veel ziekte en verdriet en zorg en zonde heeft dóórgemaakt, en die een heeleboel vragen niet kan beantwoorden, waarmee sommige vromen het zichzelf en anderen zoo moeielijk kunnen maken — maar die op deze vraag gaarne een antwoord geeft: „wat weet gij

Sluiten