Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daarbij tegenwoordig, onder den diepen indruk verkeerend van het machtige woord over den zondeval, in de kerkeraadskamer terugkeerden. Een der oudste broeders, een bezadigd man, die jaren lang de kerk van Amsterdam en thans met eere de kerk van Amsterdam-Zuid diende en nog dient, sprak in hartelijke bewoordingen zijn blijdschap uit over het aangrijpende, kostelijke woord, dat dien avond aan de gemeente was gebracht.

En als een donderslag bij helderen hemel trof ons allen op de volgende Kerkeraadsvergadering de aanklacht van br. H. Marinus, waarin hij, zonder eerst met Dr Geelkerken daarover te spreken, zijn bezwaren bij den Kerkeraad tegen een gedeelte dier preek inbracht.

Dit gedeelte luidde aldus:

„Het ontstaan van de zonde in ons geslacht — niet dus de allereerste oorsprong der zonde in het heelal, waarover wij zooeven spraken — wordt ons medegedeeld in het derde hoofdstuk van Genesis.

Ik weet wel, dat dit gedeelte der Heilige Schrift ons voor eigenaardige moeilijkheden plaatst. Zoo spreekt het van den staat der rechtheid en dus van een tijdperk in de geschiedenis der menschheid, dat aan haar geschiedenis zooals wij die alleen kennen, n.1. in zonde, voorafgaat. En gelijk van den staat der heerlijkheid hiernamaals, van den hemel, zoo kunnen wij ook van dien staat der rechtheid ons alleen een voorstelling maken met behulp van wat wij kennen in deze bedeeling. Als God ons dan ook daaromtrent Zijn Openbaring geeft, dan spreekt Hij daarover, en van dien staat der hemelsche heerlijkheid, en van dien staat der rechtheid, in bewoordingen aan onze tegenwoordige, aardsche bedeeling ontleend. Anders zouden wij er niets van kunnen vatten, en Hij tot ons spreken, gelijk iemand tot een blinde, een blindgeborene, spreekt over de kleuren. Ook is het vaak moeilijk uit te maken, hoe allerlei bijzonderheden, die Genesis 3 ons bericht, moeten worden uitgelegd, en zijn er schier evenveel „verklaringen" als geleerde uitleggers. Denk maar aan „den boom der kennis des goeds en des kwaads", de slang en haar spreken, den boom des levens, enz.

Doch de gemeente late zich door dit alles niet van de wijs brengen. Vast Staat, dat wij in Genesis 3 de goddelijke bekendmaking hebben van een historisch feit, het feit van den zondeval, die heeft plaats gehad aan het begin der geschiedenis van ons menschehjk geslacht. Zooals de Catechismus zegt: „Vanwaar enz....."

De kerkeraad verklaarde, na de 18 ouderlingen, die de prediking hadden bijgewoond en heusch niet hadden geslapen, gehoord te hebben, de klacht van br. Marinus ongegrond, gelijk natuurlijk ieder onbevooroordeeld lezer der preekcoupure gedaan zou hebben.

Maar de aanklagende broeder berustte niet in deze beslissing van den Kerkeraad en verklaarde aan de brs. wijkouderhngen, die hem dit besluit kwamen mede-

Sluiten