Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat die passages iets uit te staan hebben met 't al-of-niet-opvatten der slang van Gen. 3 als Satan. Wij zijn van oordeel, dat door die artikelen een opvatting van de slang van Gen. 3 als dierlijke of natuurlijke slang niet gevorderd wordt; dat die artikelen in deze zaak geen uitspraak doen.

Op p. 19 van den Open Brief leest men: „Doch er is niet één gegeven in dit verhaal, wat geen analogon (= overeenkomstige zaak) in de H. S. heeft". Daartegen moet gezegd, dat men niet de tot een geheel behoorende gegevens van elkander mag scheiden om dan voor die van elkaar gescheiden gegevens analoga te zoeken, maar dat men de bij elkaar behoorende gegevens bij elkaar moet laten en dan voor dat complex van gegevens een analogon moet trachten te vinden. Er is daarom in de H. S. geen analogon voor 't spreken der slang te vinden, want men heeft hierbij er op te letten, dat in Gen. 3 in het geheel niet bericht wordt, dat een ander subject door middel van de slang sprak, zooals elders omtrent een dier bericht wordt. De slang als werktuig van Satan heeft eveneens geen analoga in de H.S., want op plaatsen, die ten bewijze daarvan worden aangehaald, moet men, wat ongeoorloofd is bij gezonde exegese, gegevens van elkaar scheiden, die niet gescheiden mogen worden, om ze dan gescheiden als analoga van de slang en haar spreken als werktuig en actie van den Satan te kunnen voorstellen. Zoo verwijst de Synode naar Mt. 8:28 v.; Mrk. 5:7 v.; Luk. 8 :28 v.; Hand. 9 :15. Echter is in die teksten niet een dier, maar zijn menschen organen van duivelen, derhalve, want dat zijn menschen in onderscheiding van beesten, redelijke en met spraak-organen begaafde wezens. En redelijke wezens zijn ook de duivelen, zoodat duivelen en menschen met elkaar redelijk contact konden hebben. Bovendien is dan nog in 't oog te houden, dat die ongelukkige menschen daimonidzomenoi bezetenen worden genoemd. En wat Mt. 8 : 32 betreft, waar we lezen, dat de duivelen in de zwijnen gingen, hierbij wordt dat duidelijk vermeld en daar heeft ook geen redelijk gebruik van die zwijnen plaats gehad, maar zij stortten in de zee. Uit niets in de H. Schrift blijkt verder, dat de Satan een zoodanige scheppende macht zou hebben, dat hij aan een beest spraakorganen zou kunnen geven, waarbij dan nog komt, dat in Gen. 3 er geen spoor te vinden is van eenig bericht, dat God zelf aan de slang spraakorganen geschonken had.

Sluiten