Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan het slot van dit gedeelte van mijn bezwaarschrift sprak ik er mijn verontwaardiging over uit, een verontwaardiging, welke ik „rechtmatig" noemde, dat „Deputaten en Classis.... niet onduidelijk insinueer(d)en, dat de reden, waarom ik volstandig geweigerd had de door de Classis verlangde afzonderlijke verklaring in de zaak-Marinus af te leggen niet van kerkrechtelijken en moreelen aard zou zijn, gelijk ik uitsprak, maar gelegen zou zijn in de omstandigheid, dat ik leerstellig een gevoelen zou te verheimelijken hebben gehad, dat niet in overeenstemming zou zijn met de belijdenis onzer kerken " „Hier" —zoo besloot ik — „neemt het wantrouwen, de argwaan, die ik reeds moest constateeren, wel een zeer onguren vorm aan " De Commissie, die het Rapport inzake mijn bezwaarschrift opstelde, en de Particuliere Synode van NoordHolland, die het aanvaardde, namen de vrijmoedigheid, naar aanleiding dezer opmerkingen uit te spreken, „dat er naar haar oordeel voor de(ze) verontwaardiging.... geen grond is." Naar haar oordeel was ik „door de Classis en Deputaten op de meest broederlijke wijze behandeld " Men moet maar durven 1 Van andere bejegeningen, welke ik op en door de Classicale vergadering met bare Deputaten en Commissie's ondergaan moest, zwijg ik nu maar. Doch wie dit „de meest broederlijke wijze"van behandeling acht, om iemand, die nadrukkelijk en uitvoerig de gronden voor zijn handelwijze aangaf, het odium op te drukken : gij hebt andere modeven voor uw gedrag dan die gij noemdet; gij zijt deswege „verdacht" — wel, die heeft toch een hoogst zonderling begrip van „broederlijkheid". En — wanneer zou iemand wel rechtmatigen grond hebben om verontwaardigd te zijn, indien hij dezen in zulk een geval niet had?1)

VUT. „Over eenige Artikelen der Belijdenis enz."

Ten opzichte van het 3de punt2): „over eenige Artikelen der Belijdenis, van den Catechismus of van de Verklaring der Nationale Synode", merkte ik in mijn bezwaarschrift tenslotte het volgende op.

In het besluit van 22 April8) wordt nergens eenig Artikel van de genoemde drie Belijdenisschriften genoemd, waaromtrent dan van mij „nadere verklaring"

„bedenkelijke uitlatingen" van Dr G.: ie in de coupure zelve — maar die niemand nog aangetoond heeft; 2e. in de antwoorden op de „vragen" — maar die niemand nog genoemd heeft j 3e. tijdens de Classicale vergadering van 18 Maart 1935 — maar die zelfs Ds Knoppers, ofschoon van alles op de hoogte, immers als Actuarius I wel beweert gehoord te hebben, dan ach I ook al niet noemt 1

*) Terecht hebben de schrijvers van „Ons aller Moeder", blzz. 10 v. er op gewezen, dat weliswaar „de suspect-verklaring van een dienaar des Woords niet per se eene verdenking van oneerlijkheid in zich (sluit)", doch dat zij er in dit geval, „wel in opgesloten lag"; o.a. „omdat herhaaldelijk, ook in kerkelijke vergaderingen er op gezinspeeld is, dat Dr Geelkerken iets „verborg", dat hij niet „openlijk"en „rechtuit" met zijne gevoelens voor den dag kwam." Dit wordt geenszins weerlegd door de opmerkingen van Ds Knoppers, Pilaar enz., blz. 43.

') Zie boven, blz. 34.

•) Acta, blzz. 68 v.; vergelijk : Bijlage I.

Sluiten