Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verlieten alsof de historische inhoud geheel en al op fictie berustte en in meerdere of mindere mate op een oude, historische overlevering teruggingen40). Van hoeveel beteekenis reeds deze concessie is, valt licht in te zien wanneer in aanmerking genomen wordt, hoezeer steeds het onhistorisch karakter van Daniël tegen den ouderdom van dit boek was in het veld gebracht. En het is zeker niet onaardig in dit verband nog te herinneren aan het oordeel van den grooten Elamoloog Georg Hüsing, dat hij geen noodzakelijkheid ziet om aan den auteur van het boek Daniël verkeerde historische voorstellingen toe te schrijven aangaande den Chaldeeschen en Perzischen tijd4I). Nog een belangrijke schrede verder is in den allerjongsten tijd gegaan Wilhelm Erbt, een der leerlingen van den bekenden Assyrioloog Hugo Winckler. Hij neemt aan dat het boek Daniël in zijn tegenwoordigen vorm het product is van een vijftal achtereenvolgende bewerkingen, die niet alleen op het verhalend maar ook op het profetisch gedeelte betrekking hebben en waarvan de eerste dagteekent uit het jaar 562 en de tweede uit 538, beide dus uit den tijd die door het boek als de tijd van Daniël zelf wordt aangeduid. De derde en vierde vallen in de jaren 521 en 486, terwijl eerst de vijfde en laatste ons brengt in den Seleuciden-tijda). Ik meen dat dit eigenaardig verloop der behandeling van het Daniëlprobleem wel als een typeerend symptoon der tij-kentering die ik wensch te signaleeren mag worden aangemerkt.

Ik durf mij eenigermate vleien met de gedachte dat het door mij te berde gebrachte thans wel door u genoegzaam zal worden geacht om het spreken van zulk eene tij-kentering te rechtvaardigen. En ik zou hiermede dan ook mijn doel bereikt kunnen rekenen. Toch heb ik mij nog iets meer voorgesteld. Ik wil gaarne ook een poging wagen om u te doordringen van het belang dat deze tij-kentering voor onze Gereformeerde wetenschap heeft, en om u te doen zien welke de eisch is dien zij aan haar stelt.

Het zal wel geen breed betoog behoeven, dat onze Gereformeerde wetenschap, welke uitgaat van de autoriteit der H. Schrift als Gods Woord, zich onmogelijk in de toonaangevende richting onder de Oud-Testamentici vinden kon. Het negativistische stand-

Sluiten