Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat is wel een geheel andere tijding, die ons volk reeds zooveel weken bezighoudt, dan die ons voor enkele jaren ontroerde, toen kort achtereen de doodsklokken luidden, wegens het verscheiden van twee zeer betreurde leden van ons Vorstenhuis.

Het is deze tijding: Juliana, onze Kroonprinses, gaat ten huwelijkl Hetgeen nu over een paar dagen heugelijke werkelijkheid zal worden.

Zullen we dan niet weer de goede hand Gods over Vorstin, volk en vaderland erkennen en uitroepen: „de Heere is onzer gedachtig geweest; Hij zal ons zegenen" (Psalm 115)?

Want dat is, na droeve verliezen, nu de weg, dien God de Heere in Zijn groote genade met ons wil inslaan.

Hij gedachtig aan ons Doorluchtig Oranjehuis, dat Hij de laatste Telg daaruit niet eenzaam doet overblijven, maar Haar een waardigen Gemaal heeft geschonken.

Hij gedachtig ook aan het oude volk van Nederland, dat in de historie van Kerk en Staat met zijn Vorstenhuis onscheidbaar is saamgesnoerd, en a.h.w. er mee staat of valt.

Maar hiervan is dan ook de keerzijde, dat dat volk, die Kerk, die Staat, mèt hun Vorstenhuis, Hem gedachtig zij heden, maar ook voortaan, Die zóó wil zegenen, ondanks we moeten belijden, in menig opzicht, Hem niet meer gedachtig te zijn, zooals helaas in steden en dorpen de verlating van de wegen van het Woord Gods bewijst.

Daarom — zien wij in dat Vorstelijk Huwelijksverbond een uitnoodiging des Hemels, om, zooals straks Prinses en Prins met God en elkander het Verbond sluiten, als volk eveneens en opnieuw met God en Oranje het Verbond te sluiten.

Sluiten