Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten." Dagen van nood, strijd, opstand, revolutie, oordeel, verdwazing. Zie maar, hoe 't ging tijdens Asa's grootvader Rehabeam, toen vorst en volk Gods raad verwierpen, en het rijk scheurde, zelfs de broederkrijg ontbrandde.

De blijdschap van het heden is, dat nu uit zienersmond, uit Gods mond, mag vernomen worden: „Hoort mij, Asa, en gansch Juda en Benjamin: de Heere is met ulieden, terwijl gij met Hem zijt." Midden in den nood had de Koning gebeden : „Help ons, o Heere onze God 1 want wij steunen op U."

Toen was er geen nood en geen vijand en ook geen strijd meer: „de vijanden waren verbroken (14 : 13) voor den Heere en voor Zijn leger".

En nu was het waarlijk onder het volk nog niet wat het wezen moest. Volgens vs 8 moesten ook nu nog allerlei verfoeiselen uit het land weggedaan en ook het verbroken altaar des Heeren vernieuwd worden.

Maar: het gebeurde dan ook. En wat meer zegt: in Jeruzalem, in de hoofdstad, werd heel Juda en Benjamin en de velen, die uit 't afgescheurde deel weer teruggekomen waren, vergaderd, om nu voor en met God in blijvend verbond te treden. „Velen uit Israël (vs 9) vielen hem in menigte toe."

Zóó wordt het gebrokene en verdorvene in Kerk en Staat geheeld: alleen voor Gods aangezicht en ter plaatse, waar Hij gezegd heeft te willen wonen, ook nu.

„Zij traden in een verbond, dat zij den Heere zoeken zouden", enz. Toen weleer dat verbond door God met David was gesloten en met betrekking tot diens troon, strekte zich het Goddelijk gunstbetoon door den theocratischen koning heen uit over heel het volk (I, 14 : 2: „David merkte, dat zijn Koninkrijk ten hoogste werd verheven, om zijns volks Israëls wil"). Uiteraard om redenen, slechts in den Heere Zeiven gelegen. Want Israël als volk was vaak verre van braaf en Godvreezend.

Sluiten