is toegevoegd aan uw favorieten.

Het kerkelijke dogma

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

elkaar over. Mén moet er te voren van overtuigd zijn deze limiet niet te kunnen bereiken. Dogmatiek en prediking vermogen uit de sfeer van het Woord niet in die van den Geest over te gaan. De Lutherschen zijn in dat opzicht veel meer gereserveerd geweest. Ze hebben er meer op gestaan het Woord woord te laten, om hun steun niet te verliezen. Maar het gevaar van valsche gerustheid is bij hen dan ook grooter. En met die ruimtelijkheid van het Woord hangt dan ook wel samen dat de duitsche theologie in de 19e eeuw zooveel vreemde inhouden kon opnemen; en als reactie daarop het exclusieve karakter van de dialectische theologie.

Wanneer wij dan de tijdsorde in de dogmatiek overwegend laten regeeren, dan blijft er slechts één dogma over. Er is maar één geloofsartikel1). Niet omdat ze zich in een eenerlei oplossen, maar omdat de dogmatiek de christelijke waarheden meer in de orde van een geschiedenis dan van een systeem moet zien. Zooals we in een preek niet allerlei punten naast elkaar mogen plaatsen, maar elk volgend woord dichter bij den hoorder moet staan, om zoo de onweerstaanbaarheid van de genade te benaderen, zoo is ook de dogmatiek aan de tijdsorde gebonden. Het is de wondere innovatie van Augustinus geweest, dat bij haar in zijn De Civitate in dien vorm gegeven heeft. Weliswaar verschijnt de geschiedenis daar nog, in verband met het rhetorisch karakter van deze dogmatiek, in een aanschouwelijken, paradigmatischen vorm. Bij alle rhetoriek is historie een voorraadschuur. Maar deze bekeerde rhetor brengt dat uitzwieren in de ruimte onder de tucht van den bijbel, waarin de geschiedenis een enkele lijn laat zien. — Straks in Calvijns Institutie wordt dat historische vergeestelijkt en verinnerlijkt. In deze pastorale dogmatiek wordt alles meer direct en op den man af. Het krijgt zuiver woord-karakter. Maar tegen de middeleeuwsche Scholastiek ziet men duidelijk den tijdvorm uitkomen, die er in heerscht. Alles streeft in eene richting, van 't begin tot 't einde 2).

Het is ongetwijfeld een bard ding. om met het dogma dit ééne als richtsnoer voor de prediking op te stellen. Er zit in wat wij daarbij afwijzen vaak zooveel „goodwill", zooveel mogelijkheid, dat het op geboortebeperking lijkt, aan de kerk deze ééne geschiedenis, dit ééne dogma, deze ééne preek als den weg van den actus purus, der zuivere werkelijkheid op te dringen. De rijkdom der ideeënwereld, de diepten van het cosmisch bestaan en de vormkracht der persoonlijkheid schijnen zoo onuitputtelijk, dat er voor ieder wel een eigen zaligheid schijnt te bestaan. En toch was er voor Jezus in deze herberg geen plaats.

l) Brunner, Der Mittier VIII.

') Barth en Brunner hebben beide op dit richtingskarakter van de Openbaring gewezen. Brunner telkens ook in augustiniaanschen vorm, als hij de ware „Einmaligkeit" voor de heilsgeschiedenis reserveert. Barth meer op de manier van Calvijn, waarbij de geschiedenis in het Woord Gods wordt opgenomen. Gogarten komt op voor tijd- en ruimteleven beide in verband met openbaring. De practische consequenties daarvan liggen aan den dag.