Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tale opvatting uitgaat Het heeft ons wakker gemaakt uit het instinctieve leven, dat een volmaakte kennis is van het transcendentale, van alle relaties onder elkaar. De rijkdom van het Woord is in dat opzicht doodarm. Mij is het er om te doen geweest een proeve te geven van een criticisme. als men het 200 noemen wil, waarbij men niet subjectief uitgaat van den vorm, waarin de geloovige de Openbaring ontvangt. En evenmin objectief van dé gestalte, die die Openbaring in de prediking moet aannemen. Ook wanneer men beide tegelijk doet. zooals Haitjema1), is het gevaar niet denkbeeldig, dat deze transcendentale begrenzing waardevolle stukken uitsluit. Er is zooveel, wat den geloovige op onvoorstelbare wijze eigen wordt, zonder dat toch het waarheidsbesef daaromtrent wordt aangetast3). Er zijn mystische en speculatieve kanten ook aan het Woord. Het kan gevaarlijk zijn den geloofsvorm of den predikworm te streng te bepalen.

Het criticisme, zooals ik het hier toepaste, brengt eerst een indeeling van het te onderzoeken gebied; in dit geval van dat der prediking, waarop het dogma fungeert. De bedoeling is dus niet om het rationeele of het mystische, het speculatieve of het practische geheel van het terrein van het Woord uit te sluiten. Paulus' brieven leeren ons dat we met zulk een armoede de kerk niet zouden dienen. Het Woord en het geloof zijn compleet. Het gebruik van het woord „geloofscriticisme" is daarom niet zonder gevaar, omdat het heel gemakkelijk doet denken aan een bescheidenheidscomplex, wat in strijd is met het scheppend karakter van het evangelie. Het komt er op aan een inzicht te krijgen in de vormen waarin de prediking en het dogma in de kerk optreden. Men ziet daarbij verschillende kanten van de Openbaring naar voren komen. De critische indeeling is niet van ons. De kerk zelf geeft die aan.

We zullen dan dien vorm van het dogma voor de zuiverste hebben te houden, waarin zijn eenheid het beste uitkomt. Waar Triniteit en Praedestinatie, de beide meest absolute gestalten van het dogma, samen gezien kunnen worden onder een perspectief, waarin de eene de andere niet te kort doet, daar kan de prediking het best haar loop hebben. Zeiven worden ze niet gepredikt. Maar „hun richtsnoer gaat uit over de gansche aarde". Het blijkt dan dat de prediking ons wel opheft in de wereld der oordeelen Gods, maar de draad van het Woord breekt niet. De troost van het absolute moment wordt verbonden met die van de „volhardinge". In den theologischen tijd verbindt God het eene moment, het eene Woord, met het andere. Zoo is weliswaar de voorstelbaarheid het kleinst; maar het waarheidsbesef des te grooter. En zoo behoort het, naar de verklaring die Zondag 52 van het Amen geeft.

l) a.w., 100. 3) Zie blz. 122.

Sluiten