Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ruimte bij den Heere. Daar woont een Abram en 'n Izak, een Jakob en een Lea, een David en een Paulus, een Petrus en een Johannes, een Timotheus en een Lazarus, een Maria en een Martha, ook een Magdaleensche. Zij allen wonen bij den Heere in. Langs welken weg ook geleid, van welken levensstand ge ook zijt, of gij komt van het O. of W., indien de oprechte vreeze Oods in u is zoo zal er ook voor u woning zijn. Ood ziet naar waarheid in het binnenste. Op u zelf gezien kunt gij bij den Heere niet inwonen. Wie kan er wonen bij een verterend vuur? Maar oudtijds woonde Ood onder zijn volk boven het verzoendeksel. Óm Christus zoenverdienste u toegerekend wil de Heere ook bij u inwonen. Hij woont bij dien die eens verbrijzelden en nederjgen geestes is. Ziende op Hem, Die tusschen de cherubs woont mag het allen vermoeiden en beladenen worden toegeroepen: In het huis des Vaders zijn vele woningen! Er is woning ook voor UI Ja, 't is om Christus wil, dat God zijn knechten opdraagt om armen, kreupelen en ongelukkigen te roepen. „Ga uit in de wegen en heggen en dwingt ze om in te komen opdat mijn huis vol worde". Van zulken, die alleen kunnen roemen in de vrije genade Gods. Zij zullen komen met geween en met smeekingen zal lk ze voeren, spreekt de Heere. En met groote liefde zal God de Heere hen opvangen in zijn trouwe Vaderarmen, die den ganschen dag staan uitgestrekt tot een hardnekkig en wederstrevig volk.

Nu wilde de medelijdende Hoogepriester zijn door scheidenssmart ontroerde discipelen eens de oogen doen richten naar dien hemel der gelukzaligheid waar ook voor hen woonplaats is, niet gehuurd maar gekocht door Jezus bloed en waarin zij eeuwig bij hun Jezus zouden inwonen, zoodra het aardsche huis huns tabernakels verbroken zou worden. Zalige troost voor het volk van God! Uit die eeuwige woningen wordt het hun, die uit groote verdrukkingen komen, moedgevend toegeroepen: Draag nog een wijle voort aw kruis! U wacht de kroon in het Vaderhuis! Worden wij, met den hemel getroost dan mogen we over alle lijden door scheiden, dood en graf heenblikken. Dan worden de tranen gedroogd en in onze ziel leeft heimwee: Ach! wanneer? Als oudtijds de pelgrims naar Jeruzalem het schoone Sion, die heerlijke woonplaats Gods, in het zonlicht zagen schitteren, dan werd hun kracht vernieuwd, hun moed verlevendigd. Haast zouden ook zij voor God in Sion verschijnen. Zijn er, volk Gods, ook in uw leven tijden waarop ge moedeloos dreigt neer te zinken, o, stelt den Heere tot uw fontein, waaruit uw dorst wordt gelescht en uw kracht vernieuwd om voort te gaan zoolang uw God het wil en zooals Hij het wil. Slaat naar het heiligdom uw oog! Valt hier alles weg en wankelen zelfs de bergen, het Vaderhuis Gods

Sluiten