Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar ook ontelbaar vele anderen zijn vervuld met deernis over de vreeselijke gebeurtenissen, die een schaduw hebben geworpen over dit geheele jaar, en met zorg zien wij de toekomst van Palestina tegemoet. Weizmann heeft bij de eerste-steen-legging van de Joodsche Universiteit bij Jerusalem in 1918, met een toespeling op een Talmoedische legende, gezegd dat de Joodsche ziel tusschen hemel en aarde woont, maar, voegde hij eraan toe, „in Palestina zal zij tot rust komen". Hoe ver lijkt ons die rust nu, zjj schijnt verdwenen achter den horizon van menschelijke mogelijkheid.

„Nicht totschlagen wollen wir die Juden und ihnen keinerlei Gewalt antun; wir wollen sie nur ausgeschieden sehen aus unserem Volksleben" zegt de antisemiet Th. Fritzsch in zijn berucht en hatelijk boekje „Handbuch der Judenfrage". Hij gaat een kant uit dien schrijver en lezers van deze brochure niet willen; gelukkig zijn wij, Nederlanders, in dit opzicht zonder wensen, omdat hier voor ons geen probleem is. Wij houden van de Joden en de Joden houden van ons. Maar de Arabieren in Palestina wijken naar den anderen kant van Fritzsch af: ze willen, naar het schijnt, vele Joden geweld aandoen en dooden, en de overgeblevenen gaarne zoo spoedig mogelijk uit het land verdrijven.

Dat ik eenige bladzijden wil wijden aan de troebelen, waarvan alle lezers de bijzonderheden uit de courantenberichten kennen en die ik dus niet behoef te beschrijven, vindt zijn oorzaak in het feit dat men, naar mij telkens blijkt, veelal geen blik heeft in de diepste oorzaken van dit droevig gebeuren.

Mjjn groote liefde voor het oude land in het oosten en de diepe belangstelling die ik koester voor de ernstige pogingen der Zionisten om daar een vaderland te stichten, dringen mij ertoe mij zelve rekenschap te geven van de oorzaken dier onlusten.

Toen ik in de jaren vóór den oorlog betrekkelijk langen tijd tusschen Joden en Arabieren in het hartje van Jeru-

Sluiten