is toegevoegd aan uw favorieten.

De school van Karl Barth en de Marburgsche philosophie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De religieuse consequentie van de Marburgsche schooll) zou bijvoorbeeld He gel nimmer Calvij n zijn. Dit is reeds dadelijk duidelijk, wanneer men in aanmerking neemt, dat de Marburgsche school van de eleatische grondformule uitgaat, nl. dat denken = zijn. Zulks moet ook religieus tot de verabsoluteering van het menschelijk denken voeren, gelijk in H e g e 1 s philosophie geschiedt. De Marburgsche school is ten deele in principe de vernieuwing der lijn van Kant naar Hegel. Barth echter is verre van Hege 1. In plaats van de eleatische grondformule dat denken = znn, is de grondformule en sleutel der redeneerwijze van Barth, dat spréken = zijn. Deus = Deus loquens; Gods loqui, Gods spreken is gelijk aan Gods zijn2). En dit is een van het Hegelsche „denken = zün" te onderscheiden phaenomenologisch standpunt, dat namelijk in de eerste plaats let, niet op eigen denken om daarin naar den „oorsprong" te zoeken, doch op de phaenomena van de gesproken cultuur buiten ons, om in deze den „algemeen-geldigen" logos te zoeken. Specifiek Marburgsch is Barth's theologie dus zeker niet. Daartoe is het verschil in grondformule ook philosophisch al reeds te groot. En een tweede belangrijk verschil tusschen Barth's philosophische redeneerwijze en Marburg is, dat Marburg het geheel en al houdt met Kanfs „Kritik der reinen Vernunft", het wetenschapsbegrip alzoo sterk beperkt, nl. tot het natuurwetmatige en mathematische, en de „Kritik der praktischen Vernunft" alsook de „Kritik der Urteilskraft" als „zwakheden" van Kant veroordeelt. Barth en de Zwitsers daarentegen brengen den anderen Kant naar voren, den Kant, die de „Kritik der reinen Vernunft"

3) Bij „Marburg" plegen we aan de oude Marburgers te denken, niet zoozeer aan Nicolai Hartmann en de belangrijke wending die hij in „de Marburgsche school" bracht en nog bezig is te brengen. Het begrip „Marburgsche school" is dan ook op het moment wel een «eer vlottend begrip.

») p. 138 o.a.