is toegevoegd aan uw favorieten.

Rede, gehouden bij de herdenking van het honderd-jarig bestaan der Algemeene Doopsgezinde Sociëteit op 28 September 1911

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bestuurders en oud-Bestuurders van deze Sociëteit;

Afgevaardigden en Leeraren der Doopsgezinde gemeenten;

en gif allen, op onze uitnoodiging of uit eigen beweging hier aanwezig en die daarmede van Uwe belangstelling in de Sociëteit getuigt:

Geachte toehoorders.

Wij zijn hier saamgekomen om de stichting onzer Sociëteit te herdenken. Voor eene daad dus van piëteit, van dankbaarheid. Niet om haar luide te verheerlijken; wèl met een blij en erkentelijk hart. Erkentelijk jegens Hem, Die hare gangen zoo goedgunstig heeft geleid en Wiens voorzienige zorg wij in hare geschieJenis ootmoedig erkennen.

Vijftig jaar geleden is die stichting eveneens herdacht; ook in dit kerkgebouw. De oud-hoogleeraar Samuel Muller, mijn grootvader, wiens naam het mij lief is te dragen, hield toen eene welsprekende rede. Hij had den toestand van verbrokkeling en dreigend verval,-waarin de broederschap vóór die oprichting verkeerde, nog zelf zoo goed gekend; had in de gelukkige vejpandering, die daarna had plaats gegrepen, zulk een werkzaam aandeel genomen. Geen wonder, dat hij, het toen met het heden vergelijkende, een toon aansloeg van opgetogen dankbaarheid. r „De Heer", klonk het, „heeft groote dingen aan ons gedaan: heil ons bij dat verleden!". Maar nu wij, die van den tijd der oprichting zoo ver afstaan; die aan het bestaan en den gelijkmatigen arbeid der Sociëteit gewoon zijn; voor wie deze niets treffends meer hebben? — M. H.,