Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voort, in gruwelijke zonden te bedrijven, daar zij toch voor hunne affcheiding, in hun onzalig eertijds, dikwerf met eenen Pharao vroegen: Wie is de Heere, dat wij Hem zouden gehoorzamen? die met hoogverheven fchilden den Almagtigen bedreden, toen zij niet wilden hooren, noch naar erndige beftraffingen of getrouwe vermaningen, noch naar vriendelijke uitnoodigingen of liefderijke opwekkingen, noch naar het bidden of fmeeken in 's Heeren naam: dat zij zich mogten laten gezeggen! Ja, hoe ook Gods gaarne getrouwe dienaren, vrome vrienden of vriendinnen, zelfs vrome ouders, bij hen aanhielden, zij wilden van die banden, die hen aan zonden en wereld gebonden hielden, niet worden losgemaakt; zij wilden niet afgefcheiden worden van het onzalig gezelfchap, beltaande uit roekelooze (potters, ontheiligers van Gofoljïaam, fchenders van zijnen heiligen dag; nog eens, van werelddienaars, die in de vermaken der zonden, al hunnen Just vinden, maar integendeel gevoelden zij eenen afkeer van God, van zijne zalige dienst en volk; in ftrafbare vermetelheid, durf: den zij, als het ware tot den Heere zeggen: wijkt van ons, want aan de kennis uwer wegen hebben wij geenen lust! Het was er, helaas! zoo verre van daan, dat zij van, dat zielverwoestend beftaan en gezelfchap, zouden willen afgefcheiden worden, dait zij daarentegen dagelijjjfUBl meer er aan werden vastgeilqte^,' en er al vastet aan werden ffrbonden. En het waren dezen 'toch, die afgefcheiden werden JU Ja, daar zij geen medelijden met zich zeiven hadden, ontfermde zich de Heere over hen; de H. Geest ontdekte hen aan zich zeiven, rukte als 't ware hen de muitende wapenen, waarmede zij zoo fnood ondankbaar Gpd, hunner weldoener bedreden, uit de hand; zij werden zondaars in gevoel, ep erlangen nu, op hunne begeerten, gevloeid uit de vernieuwing hunnes gemoeds, andere geestelijke wapenen, om tegen de zonden en al wat God mishaagt ,

Sluiten