Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Doch, zoo ver moest 't met hem komen, Dat dreef hëm naar Jezus heen, Opdat hij later zonder schromen Boepen zou : Jezus alleen ! Als colporteur in Vlamingerland, Blijft hij steeds zijn geloof gestand.

Louis de Leeuw, die in het Godsbestuur

Geen twijfel vond, in Jezus niet geloofde,

Doch die als schrijver meen'gen blik kon slaan

In 't menschelijk hart, bleef lang als een beroofde

Van 't Heil, dat eenig is, in den beloofden Vorst,

Uit David's zaad voor Israël verkoren,

Als Messias te komen, naar behooren

Gods wil te doen, al smacht hij ook van dorst

Als Hij aan 't kruishout hangt voor onze schuld en zonden,

Louis de Leeuw heeft toch ten lest dat Heil gevonden.

Gij kent hem wel, o vrienden van Israël,

Gij laast zijn werk Ben Noni toen geheeten,

't Bekeeringswerk geschiedt naar Gods bevel,

Wordt daar geschetst, waar 's ouders boezem fel wordt opgereten

Wanneer hun kind d'Affallige gelooft;

Zich scheiden gaat van ouders en van vrinden,

Hij wordt vervloekt, zijn fakkel wordt gedoofd,

Behoort niet meer tot 's ouders welbeminden.

God lof, die waar de aardsche band men breekt,

Met meerder kracht zich met hem gaat vereenen,

Die in den nood hen bijstand wil verleenen,

Nog meer, h\j zelf is 't, die thans 't heil verkondt;

't Is in Amerika, daar heeft hij zijn Gemeente,

Al zegt zijn boek : hij rust in 'l grafgesteente,

Hij looft en prijst den Heer op eiken morgenstond.

Hebt gij hem niet gekend, die kleine wijze man ?

Die met zijn held'ren blik u telkens kon aanschouwen

Die sterk was in 't geloof en in zijn Godsvertrouwen,

En Jezus zijnen roem, daardoor trof hem de ban,

Geslingerd naar het hoofd uit Israëls Gemeente.

Hfl werd vervloekt tot zelfs in zijn gebeente.

't Was Hahtog Bremeb, mart'laar voor 't geloof,

Voor vleierij of vloek, voor heiden was hij doof;

Uit wraak heeft men dien held in d' Ainstelvaart gesmeten,

Hij kroop toen zelf er uit, hoe kan men 't ooit vergeten.

Toch, Hij was hem nabij, die zelfs geen musch laat vallen,

En die Zijn' reddend' hand zal spreiden over allen,

Die lijden in Zijn Naam.

Hij kan, en wil, en zal de Zijnen nooit verlaten, Hoe of de duivel zelf en zijn trawanten haten.

Sluiten