Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hebben elkander lief, zooals de Heere Jezus ons liefheeft."

Mahmat wilde een herberg (slaapgelegenheid) gaan opzoeken, maar Antraniek gaf hem te kennen, dat hij zijn slaapplaats met zijnen broeder wilde deelen. „Wat", zeide Mahmat, ,,kan jij mij in je huis hebben, om te overnachten?", waarop Antraniek ten antwoord gaf: „gij hebt mij niet in de woestijn laten sterven, nu laat ik je ook niet gaan."

Twee dagen bleef Mahmat in Aleppo temidden van een aantal ex-Bedoeïnen, die alles deden, wat in hun vermogen was, om dezen woestijnbewoner liefde te bewijzen.

We lieten een extra goeden maaltijd voor hen gereedmaken (natuurlijk na half vijf) en het spijt mij, dat ik niet tegenwoordig kon zijn, toen des avonds onze Arabische jongens Mahmat, den „broeder" van Antraniek, lieten gevoelen, wat Jezus de Verlosser, in hun levens had tot stand gebracht. Wel was zonder twijfel de Geest Gods tegenwoordig, om het zaad des Evangelies in het hart van Mahmat te bevestigen.

Nu is Mahmat terug in zijn woestijn, drijft zijn ossen en bestuurt zijn ploeg, ziet het water van den Eufraat rijzen en dalen. Menigmaal zal hij langs de plaats moeten gaan, waar hij eens naar geld zocht van eene door de Turken vermoorde Armeensche vrouw. Hij zal de plek zien, waar hij in plaats van geld een kindje vond. Hij zal moeten denken aan Moestafa, zijnen beschermeling, zijnen „broeder", die nu Antraniek heet. Hij zal, of hij wil of niet, moeten denken aan hetgeen hij hoorde van het nieuwe leven, dat Jezus, de Verlosser, Antraniek en den anderen gaf, dat ze nu geen Ramadan meer houden, maar zeker zijn van vergeving door het offer van den Heiland. Hij zal, als de avondkoude hem ineen doet hurken, zich wikkelen iu den Bedoeïnenmantel, die Eduard hem cadeau gaf. Eduard had dien mantel steeds bewaard als een aandenken aan de woestijn, maar ziende, dat Mahmat niet voldoende gekleed was, schonk hij den mantel zonder aarzelen.

Mahmat is alleen in de woestijn, neen, Gods Geest zal hem volgen en vervolgen, zal hem dringen en dwingen, opdat hij bekenne, dat ook hij den Verlosser van Antraniek noodig heeft.

Hier in Aleppo zijn wij, die bidden voor Mahmat en voor de anderen, die in denzelfden toestand verkeeren.

Dat in Nederland als in Aleppo bjdders worstelen voor het behoud van Mahmat. Dat we ons spoedig kunnen vestigen in de steppen der Syrische Woestijn, waar duizenden Bedoeïnen gelijk Mahmat van het Evangelie en het Heil verstoken, als het ware wachten, om de Boodschap des Heils te vernemen.

Wij hebben bidders noodig en offeraars, die met ons den strijd tegen Satans bolwerk aangaan en alles over hebben, om bevrijding te brengen aan de verlorenen. A. B.

Sluiten