Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE BARMHARTIGE SAMARITAAN.

De reiziger: Vandaag ga ik van Jeruzalem naar Jericho; het is een verre reis, ik moet zes uur loopen.

Deroovers: Ik neem al je geld af, ik beroof

je van al je kostbaarheden.

De reiziger: Help, help! O wat heb ik een

verschrikkelijke pijn! Ik kan niet opstaan.

Ik hoor voetstappen. Gelukkig, er komt iemand

aan, die mij kan helpen. Het is een priester, die

zal mij zeker helpen.

De priester: Ik zie daar een gewonde man liggen. Hij is zeker door roovers overvallen. Ik maak gauw dat ik wegkom, anders vallen de roovers mij ook aan.

De reiziger: O wat vreeselijk, de priester gaat voorbij.... Daar komt weer iemand aan. Ik zie dat het een leviet is, die de priester in de tempel helpt.

De leviet: Ik doe net of ik die gewonde man niet zie, ik loop vlug door. De reiziger: Ook bij helpt mij niet.... Daar hoor ik voetstappen van een ezel, daar

komt een Samaritaan aan. Maar die zal mij vast niet helpen, want dat is een vijand van mijn volk.

De Samaritaan: Wat is er gebeurd? De reiziger: Ik ben door roovers overvallen.

De Samaritaan: Kom ik zal je helpen. Hier is wijn om te drinken. Ik zal je wonden uitwasschen. Kun je loopen? Niet? Nu steun dan maar op mij.

(Tot de waard): Hij is door roovers overvallen en gewond. Geef hem een bed om te rusten. Hier zijn een paar zilverstukken. Zorg goed voor hem. Kost het meer dan zal ik alles betalen als ik terugkom.

De waard: Ik zal goed voor hem zorgen en hem een heerlijk frisch bed geven, ik zal een lekker maal voor hem klaar maken.

RUTH.

Een paar jongens: Wij maaien het

koren, wij maaien het koren.

Enkele meisjes: Wij binden het in

Sluiten