Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar gedreven moet worden, omdat het geldt een bevel van den Koning, evenmin is bet een liefhebberijtje van de O.Z.C. zich met deze dingen te bemoeien. Veel gemakkelijker ware het voor de leden der Commissie zich niet in te laten met deze dingen, maar dat mag zij niet. De leden der Commissie zijn er tot in het diepst van hun ziel van overtuigd, dat Zendingsonderwijs thuis behoort op de Christelijke scholen, hetzij opzettelijk gegeven of occasioneel en zy •wil niet anders dan stimuleerend werken, aanwijzen, hoe men dat werk het beste doen kan, Indië en de Zending nader brengen tot het kind.

Moet een kind dan reeds van deze dingen weten? Een normaal denkend Christen kan niet anders dan volmondig zeggen: ..Natuurlijk". Het schijnt echter niet zoo natuurlijk te zijn. Was er niet kort geleden in een onzer groote steden een vader, meelevend gemeentelid, die verontwaardigd vroeg of kinderen ook al met Zending „lastig gevallen" moesten worden, toen een zijner kinderen enthousiast thuis kwam van een Kinder-zendingsbij eenkomst ? Wij meenen, dat men juist bij de kinderen beginnen moet. O.i. geldt nog steeds, wat nu bijna twintig jaar geleden geschreven werd door Wielemaker in zijn, nu misschien wat verouderd, maar toch altijd nog mooie boekje „School en Zending": „Zonder onderwijs wordt geen kennis verkregen van hetgeen buiten den kring der onmidddeltijke waarneming valt. Die kennis is onafwijsbare voorwaarde voor belangstelling en liefde. En belangstelling en liefde mag toch geëischt worden voor een arbeid, waartoe de Heer Zyn Gemeente geroepen heeft en die voor haar levensvoorwaarde is. Nog altoos leeft in die Gemeente te weinig besef van haar Zendingsroeping of laten we liever zeggen, van het voorrecht, dat zy Zendingsarbeid doen mag. Zal dit besef levendiger worden, dan is het noodig, dat het reeds in den kinderleeftijd worde gewekt. Reeds het kind moet gevoelen, dat het Jezus niet kan liefhebben en tegelijk dengene, die Jezus nog niet kent, aan zijn lot overlaten. Er moet met nadruk op gewezen worden, dat het Zendingsonderwijs niet berust op de overweging, dat ook het kind voor de Zending moet geven of daarvoor propaganda maken. In het algemeen is dit niet de taak van het kind; we keuren het natuurlijk niet af, als het spontaan geschiedt, doch moedigen het evenmin te sterk aan. Als we het kind zoover kunnen brengen, dat het de Zending kent en liefheeft, komt het vanzelf wel tot medewerking. We geven ook Zendingsonderwijs, wyl zonder dit de gezichts-

Sluiten