Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toont door handel en wandel, dat hij ernst maakt met het woord! van den Apostel: „Wij zijn elkanders leden"?

* *

*

Doch hier dienen wij nader te letten op het verband. Paulus ziet hoe daar twistingen ontstaan in de gemeente over de waardej em de beteekenis der geestelijke gaven. Die neiging betreurt hij, bestrijdt hij uit alle macht. Hoe kan men twisten over gaven, d&e de Geest schenkt naar eigen inzicht, naar eigen vrijmacht en welbehagen, en dat nooit tot persoonlijk voordeel van den begenagdide, doch steeds tot opbouwing van het geheel? In het menschelijke lichaam zijn vele leden; welnu „alzoo ook Christus", de mystieke Christus of „het lichaam Christi, n.1. de Ghemeente, die also van haar Hooft ghenaemt wordt" (Kant St. Vert). Christus en Zijn gemeente vormen samen één geheel, als Hoofd en leden. Jood en heiden, Griek en barbaar zijn door één doop toegetreden tot de Kerk, hebben deel (uitwendig) aan hetzelfde „bad der wedergeboorte" (Titus 3 :5) en worden (inwendig) door één Geest geleid, bezield, vereenigd met Christus en aldus ook vereenigd met elkander. Niemand verwondere zich dus over de verscheidenheid in de eenheid. Ongetwijfeld: „Eén lichaam is! het, en één Geest, gelijkèrwijs gij ook geroepen zijt tot ééne hoop uwer beroeping" (Ef. 4:4). Maar gelijk in elk' lichaam groote en kleine, sterke en zwakkere, edele en onedele (of diet wij aldus achten), sierlijke en minder fraaie lidmaten zijn, en alle medewerken tot opbouw van het geheel, zoo moet ook in het lichaam van Christus verscheidenheid, verschil, ongelijkheid zelfs bestaan, opdat het geheel groeie en bloeie, beantwoordende aan de heerlijke roeping, waarmede het van God geroepen is. Jaloerschiheid is hier de ongerijmpdheid zelve. Zal het oog het oori benijden, de hand den voet. de neus den mond? Zal de profeet zeggen: „Ik wensch gaven der gezondmaking?" Zal de man met groot uitlegkundig inzicht murmureeren, omdat hem op een ander gebied wijsheid en onderscheidingsvermogen werd ontzegd? Zal de zwakke Maria, in mokende stemming, haar heerlijk talent begraven, omdat zij geen rotsman, geen geweldige, geen Petrus of geen Paulus is? Gelijke verdeeling'van den Geest drijft uit elkaar, verscheidenheid vormt de sterkste onderlinge band. Het lichaam „bekomt wasdom" doordat „een iegelijk deel in zijne mate werkzaam is" (Ef. 4 :15, 16). Ieder bekleede dus met eer en trouw zijn eigen plaats. De Meester heeft allen gelijkelijk lief. Geeft allen naar eigen Ver-

Sluiten