Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aarzelen, zonder eenig gewetensbezwaar, de heerlijke 'vruchten rvan de tranen, van de gebeden onzer voorouders. Voorwaar, wij zouden buiten het menschdom moeten gaan staan, om geen deel te hebben aan de gemeenschappelijke erfenis, zoowel ten goede als ten kwade. Niemand leeft voor zichzelf. Niemand kan doen alsof hij alleen op de wereld stond. Wij staan allen op de schouders van het voorgeslacht. Zelfs Robinson Crusoë was niet alleen. Nimmer zou hij hebben kunnen doen watlüj' deed, als hij niet in zich een gansche • beschaving had gedragen. Of wij het dus willen of niet, wij genieten de zegeningen onzer vaderen, maar wij dragen ook hun schuld, en het is zeker wel merkwaardig dat de wetenschap, die de eenheid van het menschelijk geslacht duidelijk aantoont, steeds meer het geloof swoord van den Apostel komt bevestigen, als hij - door goddelijke ingeving] - stelt: dat wij allen in Adam zijn gevallen, dat „door de misdaad van éénen, de dood géheerscht heeft'voor dien éénen."

* *

„Wij zijn elkanders leden."

Het verleden rijkt de hemd aan het heden, het heden aan de toekomst en al de leden van hetzelfde geslacht staan schouder aan. schouder naast elkaar als kinderen van één gezin, als afstmmelingen van één stamhoofd, als schepselen van één God- De rassen zijn onafscheidelijk met elkander verbonden, kunnen hun verwantschap niet loochenen, kunnen niet langer miskennen het eene en hetzelfde bloed waaruit zij alle zijn geschapen, dat allen door de aderen stroomt. De volkeren gaan beseffen, steeds meer en steeds beter, dat zij zich niet straffeloos kunnen isoleeren, dat nimmer een z.g. „splendid isolation" moreel gerechtvaardigd is. Nooit hebben zij elkander zoo gehaat als tegenwoordig, doch ook nooit hebben zij zoo serk gevoeld, datt zij voortdurend en in alles op elkaar zijn aangewezen. Deed niet het woord van een onvoorzichtig diplomaat, nog maar kort geleden te Brussel gesproken, een storm van verontwaardiging ontstaan, toen de cynische stelling werd verdedigd: dat eigenbelang de hoogste wet op economisch gebied moet blijven? En ook de standen vullen elkander aan, vormen één groot geheel, zijn leden van één lichaam.

Dat wördt, weliswaar, nog maar weinig beseft; De klassenstrijd; met de saamhoorigheid der klassen, rangen en standen, wordt allerwegen schaamteloos gepredikt. Dat „arbeid" en „kapitaal" bijv., naar Christelijken eisch, in vrede met elkander kunnen en moeten

Sluiten