Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Woord en Geest regeert, en ons bij de verwor vene verlossing beschut en behoedt. (Zond. XII). Feitelijk is dus Christus alléén Koning, door den Vader met het hoogste gezag bekleed, en aan Zijn schepter heeft elk schepsel zich te onderwerpen. Maar terwille van orde en regel in het maatschappelijk leven, zijn daar ook menschen tot koningen, rechters en gezaghebbers aangesteld over hun naasten; — met dien verstande echter, dat zij in geen enkel opzicht hun autoriteit aan zichzelf ontieënen, doch aan Christus, de eeuwige Wijsheid, het eeuwige Woord, en aan Hem alleen. Groen van Prinsterer drukt het zoo kernachtig uit: „De mensen is te groot om zich voor den medemensen te buigen, wanneer deze in eigen naam bevél voert." En elders : „Er is tusschen de menschen, ondanks alle maatschappelijke verscheidenheden, geen wezenlijk ver schil. Neem God weg, en de stelling wordt onbetwistbaar : de menschen zijn in revolutfonnairen zin vrij en gelijk." *) Zal dus een koning recht van spreken hebben, dan dient hij zich allereerst hiervan rekenschap te geven : „Ik ben een gezant, een vertegenwoordiger, een dienstknecht van Koning Jezus, en mijn koninkrijk moet een weerspiegeling zijn (zij het dan ook nog zulk een zwakke, flauwe weerspiegeling) van Zijn heerlijk, onzichtbaar koninkrijk."

„Door Mij regeeren de Koningen", roept de Opperste Wijsheid. En zij voegt er aan toe : „en de vorsten stellen gerechtigheid. Door Mij heerschen de heerschers en de prinsen, al de rechters der aarde". Daaruit volgt, dat niet alleen koningen de bron van hun gezag en macht in God hebben te zoeken, doch allen, die op eenigerlei wijze met macht en gezag 7tfn bekleed. Daaruit volgt ook, dat niemand het recht heeft om het koningschap als den eenigen van God gewilden regeeringsvorm aan te prijzen. Dan zouden immers republieken als Amerika, Frankrijk of Zwitserland in het woord van den Spreukendichter nooit iets anders kunnen zien dan

*) Gr. v. Pt.: Ongeloof [en Revolutie, pp. 174 en 175.

Sluiten