Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij het aan de hand der H. Schrift, die dus voor hem feitelijk een bron van kennis wordt naast de geestelijke ervaring. Het gelukt hem dit verband te leggen door de woorden „in Christus" in zijne definitie van het nieuwe leven als „die in Christo vermittelte Gemeinschaft Gottes." Daarmede is dus de aansluiting aan de H. Schrift als oorkonde der heilsopenbaring (zooals Hofmann haar beschouwt) gemakkelijk gegeven en wordt dus zijne theologie veel minder „vaag" dan men eerst vermoeden zou.

Maar ieder gevoelt, dat hierin toch iets zeer inconsequents gelegen is. En feitelijk is dat inconsequente, tweeslachtige het kenmerk gebleven van heel de Erlangerschool. Men kan in deze school opmerken een voortdurend heen en weer dobberen tusschen dat tweeërlei uitgangspunt: Schrift èn ervaring, waarbij nu eens de Schrift en dan weer de ervaring (hetzij dan in meer subjectieven zin, hetzij als geloofservaring der Gemeente) den doorslag geeft en den boventoon voert. Dat de voortgaande bijbelcritiek, waartegen de Erlangers geen principieel verweer wisten te bieden en waartegenover zij dus meestal een zekere „conservatieve" houding aannamen, op hunne school invloed heeft geoefend, spreekt wel van zelf. De jongere Erlangers, zooals ik de mannen van de modernpositieve theologie (als Seeberg, Theodor Kaftan, Grützmacher, Girgensohn, Kropatscheck enz.) zou willen noemen 1), hebben dan ook het min of meer mystisch-theosofische (wij zouden zeggen „Gunningiaansche") der oudere Erlangers meestal laten varen, maar zijn dan ook over 't algemeen, waar het b.v. de leer van het plaatsbekleedend hjden en de verzoening betreft, minder positief en, wat de bijbelkritiek aangaat, minder conservatief, terwijl ook de wille-

1) Zie over hen de belangrijke dissertatie van Dr. J. Thijs, De moderne positieve Theologie in Duitschland, Wageningén, 1917.

Sluiten