Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en daarvan moet nu de overgeleverde dogmatische stof weer gereinigd worden. Dat werk nu heeft Schleiermacher zich tot taak gesteld en daartoe toetst hij die dogmatische stof, die hij hoofdzakelijk vindt in de belijdenissen der Kerk (vandaar dat sinds hem de belijdenissen als uitdrukkende het karakteristieke der Kerk weer in eere kwamen en de bleeke „theólogia naturalis" der 18e eeuw verdrongen), aan de geloofservaring, en wel van hemzelven, van de Gemeente zijner dagen en ook ten slotte van de oorspronkelijke Christelijke Gemeente, waarvan de klassieke getuigenissen ons bewaard zijn in de H. Schrift. Op deze wijze heeft Schleiermacher zijn ervaringstheologie opgebouwd. En wie zijne Glaubenslehre leest, kan niet nalaten onder den indruk te komen van de grootsche conceptie van dit architectonisch geheel.

De resultaten echter, waartoe Schleiermacher volgens deze methode komt, zijn zeer negatief. Overal krijgt men den indruk, dat wel de oud-kerkelijke woorden en formules zooveel mogelijk zijn behouden maar zij zijn met een geheel anderen inhoud gevuld.1) Zoo b.v. waar hij spreekt over de „oorspronkelijke volkomenheid" van den mensch. Hij behoudt het woord, doch laat geheel in het midden, of er ooit een zondelooze toestand van den mensch geweest is. Wat het bericht in Genesis betreft aangaande den val, het kan volgens Schleiermacher geen taak van de geloofsleer zijn omtrent de historiciteit daarvan zich uit te spreken, daar het niet tot de „geloofsstellingen" behoort. Zonde en genade kunnen voorts niet zonder elkaar gedacht worden. Ook treedt de verlossing pas op, wanneer een zekere mate van zonde vervuld is. Let men hierop, zoo zegt Schleiermacher, dan zal

*) Dit proces heeft zich ook later bij ons voortdurend afgespeeld, eerst bij de Groningers, toen bij Scholten en nu weer bij de „malcontenten" en rechts-modernen, en ook bij Dr. de Hartog.

Sluiten