Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zijn schepping troont, daarin niet ingrijpt, maar de wereld laat gaan zooals ze gaat en zelf heel verre is — dan is het niet echt „leven" dat deze godheid doet En nu mag men wetenschappelijk een dergelijke beschouwing al lang overwonnen hebben, maar practisch staat menigeen zoo tegenover God. Men spreekt van God, die groot moet zijn en machtig, maar men spreekt niet tot God. Men denkt zich God zoo ver, dat er geen gebed, geen levensgemeenschap mogelijk is. Bij deze beschouwing heeft men toch eigenlijk geen levenden God.

Lijnrecht daar tegenover staat de beschouwing van het pantheïsme, dat zooveel warmer is en zooveel meer bekoorlijks heeft Als het pantheïsme God ziet in alles, als het spreekt van „God ofwel de natuur", wanneer het ons het Al laat zien niet alleen doorademd van God maar als zelf God — dan kan ik me denken, dat men daardoor wordt aangegrepen. De bekende Prof. Gunning heeft eens gezegd, dat iedere diepere geest eenmaal de bekoring van 't pantheïsme onderging en er mee zou hebben af te rekenen. Zelf had hij er jaren mee geworsteld — „maar ik genas van deze smart en weet nu waar men eeuwig rust" zoo kon hij later zeggen met Novalis.

Welnu: het pantheïsme, dat ons zoo warm kan aandoen; dat ons in de krachten, die we aan alle kanten telkens weer uit zien breken, krachten Gods doet zien — het kent niet den levenden God in den diepsten zin. Juist om z'n eenzijdigheid grijpt het pantheïsme het eigenlijke leven niet Zeker: God is in Zijn schepping, maar

Sluiten