Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik zal van hen, die onze Tehuizen af en toe bezoeken — ik zeg niet op feestavonden, maar op gewone dagen — geen tegenspraak ondervinden, als ik beweer, dat het geregelde bezoek op de meeste plaatsen zeer slecht is. Mijn statistiek wijst op 10 a 35 bezoeken per avond en per bataljon, zooals dat is op oorlogssterkte, dus op de ongeveer 1000 man. Zeg nu, dat door de vele verloven en cursussen en door allerlei diensten het getal bezoekers van eiken avond slechts de helft is van hen die er gewoonlijk komen, dan krijgt ge nog maar 20 a 70 bezoekers per 1000 man d.i. 2 a 7 percent. Op enkele plaatsen is dit percentage door bizondere omstandigheden grooter, zooals te Harskamp en Milligen, waar de regimenten bijna uitsluitend uit Protestanten bestaan, waar weinig andere gelegenheid is om ontspanning te zoeken, en waar alle militairen ver van huis zijn, en dus niet 's avonds even naar hun eigen dorp kunnen fietsen. Daar staat echter weer tegenover, dat op enkele andere plaatsen, waar de militairen dicht bij hun woonplaats liggen, en waar veel te genieten is (bijvoorbeeld Arnhem) de toestand zeer ongunstig is.

Nu stel ik mij voor, dat deze cijfers op velen uwer een onaangenamen indruk maken, omdat ze inderdaad niet rooskleurig zijn. Vele vrienden van onze militairen bezoeken de Tehuizen alleen wanneer er eens wat te doen is; dan is het vol en krijgen ze een prettigen indruk. Hoewel ook dan een becijfering hun zou tegenvallen. Tot 10 percent stijgt ook op de mooiste avonden het bezoek nergens.*)

De plicht rust nu op ons om te onderzoeken waar dit slechte bezoek uit voortkomt. Het slechte bezoek zeg ik. Want we mogen toch wel aannemen, gezien het aantal leden van de verschillende Jongelingsbonden, gezien ook het aantal kinderen van onze Christelijke Scholen en het aantal kerkgangers, gezien het aantal stemmen dat bij verkiezingen op rechtsche candidaten uitgebracht wordt, dat minstens een vijfde deel der bevolking nog vasthoudt aan het

schrijven. Het zou ons nu te ver voeren. Maar met die bewondering is niet in strijd mijn bewering, dat de toestanden in ons leger veranderd zijn, en dat nu ook onze Tehuizen gereorganiseerd moeten worden.

*) Uit de bespreking bleek inderdaad, dat voor velen deze cijfers teleurstellend waren. Sommigen meenden, dat ik misschien over te weinig gegevens beschikte. Nu heb ik vanzelf geen statistiek van alle Tehuizen, maar toch wel van 15 vaste en eenige tijdelijke. Laat men echter overal eens aan het tellen gaan. Gaarne ontvang ik nadere gegevens. Het is beter den juisten toestand te kennen, al valt die ons ook tegen, dan op valsche voorstellingen te bouwen.

Sluiten