Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meen betreurden Man zoo treffend getuigde, omtrent diens eenvoudig, ootmoedig, blijmoedig, vast en redelijk geloof aan het Evangelie van Christus (1). Zoo als hij daar geschetst werd, mogten wij, die onzen zaligen Vriend, in allerlei omstandigheden van het leven, hoorden spreken en zagen handelen, hem steeds meer en meer leeren kennen en waarderen. Hij zelf verklaarde, voor vele jaren reeds, dat, wat hij op den gewijden leerstoel sprak de taal was van een gemoed, hetwelk overtuigd is, dat niets zoo zeer in staat is om, onder elk lijden der aarde, ons liet hoofd te doen opheffen en het levenspad moedig aan Gods Vaderhand te doen vervolgen, en ons te leeren, hoe wij hier beneden, ook in gemeenschap met de wereld der Geesten, moeten leven, als het Evangelie der verzoening, zoo wel als der vertroosting en bemoediging (2). Zoo geloofde hij; daarom sprak hij.'Hij wist, in wien hij geloofde; daarom was hem voor het heil der Christelijke Kerk geene moeite te zwaar, geene inspanning te groot. Met het geloofsoog opzijn' Verlosser gevestigd, bleef hij, bij grievenden tegenspoed en smartelijke verliezen, hoe diep ook neérgebogen, gelaten en onderworpen. Door dat geloof ontving hij kracht van geest om bijtende aanvallen door grootmoedig stilzwijgen te beschamen, en om door geen' roem of toejuiching zich te laten bedwelmen. Die vereeniging met den Heiland zijner ziel maakte

(1) Zie de, boven ter lezing aangeprezene Toespraak van den Hoogleeraar vinkb.

(2) Met eenige bekorting overgenomen uit het voorberigt det boven aangehaalde Evangeliewoorden, vooral voor lijdenden.

Sluiten