Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Joh. 14 vs. 9; en spreekt Paulus van hem, als, „ die het beeld is des onzienlijken Gods," Kol. 1 vs. 15.

Gelijk een zoon gewoonlijk op gelijksoortige wijze, als zijn vader werkzaam is, zoo toonde ook Jezus, dat hij Gods Zoon was, door zulke werken te verrigten, diè anders alleen aan God worden toegekend. Hij heeft magt om de zonden te vergeven, Matth. 9 vs. 6; hij vergelijkt zijne werkzaamheid, met die des Vaders, en zegt: „Mijn Vader werkt tot nu toe, en ik werk ook;" „de Vader heeft den Zoon lief en toont hem alles wat Hij doet, en Hij zal hem grooter werken toonen dan deze, opdat gij u verwondert; want gelijk de Vader de dooden opwekt en levend maakt, alzoo maakt ook de Zoon levend, die hij wil. Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft al het oordeel den Zoon gegeven, opdat allen den Zoon eeren, gelijk zij den Vader eeren. Die den Zoon niet eert, eert ook den Vader niet, die hem gezonden heeft, Joh. 5 vs. 17—23. Met het oog op de vestiging en bewaring van zijne gemeente zegt hij: „ Mij is gegeven alle magt in hemel en op aarde," Matth. 28 vs. 19Daarom zouden ook Jezus discipelen, in zijnen naam bidden — tot zijnen naam doopen — en door hem den eerenaam verkrijgen, van kinderen van God.

'Gelijk eindelijk een zoon doorgaans met zijnen vader zamenstemt, in bedoeling en zin, zoo was ook Jezus, de Zoon van God, dewijl hij bestendig in de naauwste gemeenschap met den Vader leefde en nooit iets anders wilde, dan hetgeen den Vader welbehagelijk was. Op zulk eene naauwe geestelijke vereeniging, wees hij met nadruk, als hij zeide: „Ik en de Vader zijn één," Joh. 10 vs. 80.

'tSpreekt van zelve, dat er ten opzigte van deze geheel eenige betrekking, waarin Jezus tot den Vader stond, vele vragen kunnen gedaan worden, die niemand in staat is te beantwoorden, ten zij de Zoon zelf zich daaromtrent duidelijk heeft verklaard. Altijd echter, heeft Jezus zich in zijne persoonlijkheid, van God , zijnen Vader, zorgvuldig onderscheiden, Joh. 10 vs. 35, 36; en uitdrukkelijk de meerderheid van den Vader erkent: „Mijn Vader is meerder dan ik," Joh. 14 vs. 28. Dit onderscheid is ook reeds duidelijk in den naam van Zoon, tegenover dien van Vader aangewezen, een naam, die

Sluiten