Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vergeet mj zijne vermaning niet, die hij zoo treffend door eene gelijkenis heeft toegelicht. Matth. 25 vs. 1—13.

Bij de waakzaamheid voegt hij volijverige werkzaamheid. Hij weet het, God gaf aan elk de noodige talenten, om er mede te woekeren en winst te doen. Hoevele of hoe weinige talenten hij bezit, hij ma°- geen enkel er van, in de aarde begraven. Zoo lang het voor hem da"-is, wil hij het van God ontvangene, tot nut van zich zeiven en anderen, tot eer van God besteden. Onvermoeid arbeidde ook de Heer en tot onvermoeide werkzaamheid, wekte hij de zijnen op, Matth. 25 vs. 14—30.

Ziet hij op de toekomst, de voor den kortzigtigen mensch zoo onzekere toekomst, de Christen vreest niet, maar is vol van vertrouwen. Hij weet immers door Jezus woord en voorbeeld voorgelicht, dat hij de onzekere toekomst, gerust aan Hem mag overlaten, die met wijsheid, magt en liefde alle dingen bestuurt. Onbezorgd, maar daarom niet zorgeloos, bouwt hij op de liefdezorg des Hemelschen Vaders, die zijne kinderen alle dingen ten goede doet medewerken. Hoe ook verlaten van de menschen; onder welke dreigende omstandigheden hij verkeere, hij gevoelt iets van hetgeen de Heer zeide: „ de Vader is met mij," Joh. 16 vs. 32. Hij zegt op vaster grond, dan David: „De Heer is mijn herder," Ps. 23. Hij erkent met den Apostel, „Er is in de liefde geene vrees," 1 Joh. 4 vs. 1§.

Zoo is het leven van den Christen ingerigt, die den Heiland tracht gelijkvormig te worden, en als een regtgeaard kind, den Hemelschen Vader boven alles lief heeft. In zijn denken en gevoelen, in zijne woorden en daden, legt hij zich op Gods verheerlijking toe, en poogt zorgvuldig te vermijden, wat daarmede zou in strijd wezen, 1 Joh. 4 vs. 12, 20.

Met deze liefde tot den Hemelschen Vader, staat de liefde tot den naaste in het innigst verband. Zij openbaart zich daarin, dat men overal, zijn waar en duurzaam geluk tracht te bevorderen. Gelijk God zijne zon doet opgaan over boozen en goeden, gelijk Jezus werkzaam was voor aller heil, zoo acht de Christen het desgelijks zijne roeping, om zegenrijk voor allen werkzaam te zijn. Dit liefdegebod, in zijnen meestiuitgebreiden omvang, was „het nieuw gebod"

Sluiten