Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in het grondeloos niet is vóór-waarde om ons te drijven tot God, bij „Wien geen schaduw is van omkeering," Die „het ontoegankelijk licht bewoont." „Wie is het, Die zoo hoog gezeten en in het ongenaakbaar licht, door tijd noch Eeuwigheid gemeten en gronden, zonder tegenwicht, bij Zich bestaat!" Mijn God is te loven, dat Hy ons menschenkinderen verwart, totdat wij geen uitweg weten, dat Hy* ons vangen laat door strikken van angst, nood, dood, hel, opdat wy' worden „gedwongen om in te gaan" in den afgrond van Zijn heil, opdat wy zouden worden gestuwd tot den glans van Zijn Goddelijke gemeenschap. Hij zet de duisternis om het licht te baren!

Zijn genade is bodemloos, Zyn barmhartigheid peilloos! „Die uit grondelooze ontferming" ons „heeft opgetrokken uit den duisteren kuil." Ja, voorwaar, grondeloos is onze dood, grondeloos is Zyn leven, grondeloos onze verlorenheid, grondeloos ook Zyn trekking. En daarom „de afgrond roept tot den afgrond," het graf tot de opstanding uit de dooden, waar de eeuwige God het wereldgebeuren heeft ingezet, opdat Hy het doorvoeren zou tot Zyn heerlijk einde.

Een moeder zeide eens tot hare dochter, die het smartelijkst verlies van haar leven geleden had: „Kind, verdiep u in uw leed." Dat was een sterke, een liefderijke moeder. De raad der belangstellende toeschouwers is gewoonlijk: Zet u heen over uw smart." Maar deze moeder verstond, dat de droefheid is een vruchtbare akker, waar „diepte van aarde" geheimenissen van vertroosting ontbloeien doet. „Zonder donkeren bodem wordt geen welriekende bloem aan het licht gedragen, zonder gisting geen goud." Zoo ook spreekt de Vader der geesten: „Mijn zoon, Myn dochter, verdiep uw hart in, door het leed." Daarom, wilt ge het wereldraadsel zien opgelost, het

Sluiten