Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Carlyle: „Arbeiden en niet wanhopen!" Welk een groote zegen ligt er niet in den arbeid! Hij trekt de gedachten af van het nuttelooze peinzen en mijmeren, en geeft ons het weldadige gevoel van bevrediging, dat samengaat met trouwe plichtsbetrachting.

En toch, kan de arbeid inderdaad de wanhoop verre houden? Blijven er niet ledige uren over, waarin gevoelens en gedachten hun vrijen loop kunnen nemen? Blijven daar niet de donkere uren van den nacht, wanneer de bange angst en de sombere toekomstbeelden ons den slaap uit de oogen houden? De dagen van krankheid, die ons den arbeid onmogelijk maken? Wat moeten we dan?

Laten we liever den blik afwenden van deze droevige tijdelijkheid, en opzien naar de onziehtbare wereld. Laten we ons troosten met het heerlijke woord van den apostel: „Onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbijgaat, werkt ons een gansch zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid, dewijl wij niet aanmerken de dingen, die men ziet, maar de dingen, die men niet ziet; want de dingen, die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen, die men niet ziet, zijn eeuwig."

Welk een troost! Welk een geweldige kracht spreekt daaruit! Hoe kan die troost werken in al de toestanden des levens! Wat helder licht doet hij vallen, ook in de duisternis van onzen tijd.

En toch, waarom kan die troost bij zoo vele menschen niets uitwerken? Waarom kaatst hij bij zoo vele harten terug? Omdat zij niet gelooven aan de onArhtbare wereld, maar enkel zien, wat voor oogen is. Bij de moderne menschen heet het immers achterlijk, zoo iemand nog gelooft aan een hemel en aan een persoonlijk God. „Wij hebben Hem nooit gezien," zeggen ze. En spreekt iemand over een onsterfelijke

Sluiten