Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ik weer : „Ja, lieve Heiland, dat is het beste, als de menschen naar lichaam en ziel gezond worden".

Toen kwamen de tranen en ik zei : „Lieve Heiland, U weet, dat ik mijn brood niet meer zelf kan verdienen. Deze gave kan ik mijzelf ook niet geven. Wat zou ik mij verheugen, als Gij mij die gave woudt schenken !"

Dat was alles. (Tevoren heb ik den Heer nooit gevraagd om de gave van gezondmaking).

Het was mij bij alle dingen slechts hierom te doen, dat ik tot eiken prijs den weg der vernedering wilde gaan. Maar ik dacht niet, dat de Heer mij deze gave zou schenken, omdat ik zelf nog niet volkomen gezond was.

Den 30sten Januari 1907 werd ik 's morgens om 2 uur wakker. De Heer verscheen mij weer in een gezicht. Het werd heel licht in mijn kamer. Rondom mij stonden de zieken bij hoopen, met krukken en stokken, met den arm in een verband, met zieke voeten. Een vrouw, die vooraan gestaan had, herkende ik later heel goed, toen ze bij mij in de Ark kwam. Toen heb ik gezegd: „Dat is een van de vrouwen, die ik toen zag". Mijn koetsier droeg haar, — ze leed aan jicht, — op zijn armen naar binnen ; mijn vrouw droeg de krukken. Op dat oogenblik kwam ik er bij ; ik liet haar de krukken niet in de hand nemen, maar zag op den Heer en zeide tot haar | „In den naam van Jezus, wandel door de zaal !"

Ze keek me aan en zei : „Ja, dat zal ik doen".

Daarop zei ik : „Loop nu maar in den naam van Jezus naar mijn spreekkamertje". Dat deed ze ook en van dat oogenblik af kon ze weer loopen. Twee jaar later kwam ik in haar woonplaats en vernam, dat ze de krukken nooit meer gebruikt had.

De Heer zeide tot mij, dat ik de zieken de handen moest opleggen en bidden, dat zij gezond mochten worden. Dit gezicht duurde tot zes uur in den morgen en in de twee volgende nachten verscheen de Heer mij weer in een gezicht van half vier tot zes uur.

Sluiten