Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wanneer de tongenbeweging waar is, maar die verhooring is niet verkregen, en kunnen wij dus aannemen, dat de gebeden om talen te spreken onverhoorde gebeden zijn; want indien dit het geval is, waar verhooring zoo noodig was, hoeveel te meer dan waar dit talen spreken niet noodig, niet een werkelijke behoefte is. Of men heeft er in 't geheel niet om gebeden, en dan het bewijs geleverd, dat men zelf niet gelooft, dat de H. Geest de gave der talen schenkt; want indien men dit waarlijk geloofde, zou men dit bidden onmogelijk hebben kunnen nalaten. Hij is echter vertrokken zonder die taal te kennen en is bezig deze in China te leeren.

Met het oog op het beroep op den eersten Pinksterdag, is er nog een punt van verschil. Wij lezen dat op dien dag vreemde talen gesproken werden, maar verder wordt hierover gezwegen; en wij denken dus, dat zich dit spreken in vreemde talen, in de Jerusalemsche Gemeente niet verder heeft voortgezet, en dit laat zich gemakkelijk verklaren. Op dien len Pinksterdag waren daar de vreemdelingen vergaderd, en wij mogen veronderstellen dat voor hen, die gave der talen geschonken was; na het feest echter zijn de vreemdelingen weer vertrokken, en was dus het spreken met talen niet meer noodig en dus lezen wij daarvan in de berichten over de eerste Gemeente verder niets.

Bij de tongen-beweging is dit echter anders, daar moet iemand die gelooft allereerst de gave der talen ontvangen, en dan moet dat spreken in vreemde talen zich gedurig herhalen; tenminste ik heb in de samenkomsten, dezelfde personen, meer dan eens hun gebed met het spreken van eenige vreemde klanken hooren besluiten, zoodat het terecht een tongen-beweging heeten kan. Maar dat kenmerkt niet het werk des Geestes op den len Pinksterdag; veeleer vinden wij in dit doen overeenstemming met het ziekelijk verschijnsel, dat zich voordeed in de Gemeente van Corinthe, geheel in overeenstemming met de geestelijk ziekelijke verschijnselen, die zich in deze gemeente openbaarden. Welnu, Paulus heeft aan dit talenspreken het 14de hoofdstuk van zijn len brief gewijd, niet zoozeer om het goed te keuren of er toe op te wekken, maar om het op zeer toegevende wijze te bestrijden

Sluiten