Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

70). Zij kan van koning Hu (voorganger van Snefroe) zijn (Entstehung, p. 39). Zie ook, Ed. Meyer, Gesch. d. Alt., I, 2, 1921, p. 172. — De knikpyramide is, behalve door haar vorm, ook beter bekend door de goedbewaarde kalksteenbekleeding. — Dat meerdere knikpyramiden in Egypte voorkomen: Amélineau, Hist. de la Sépult., p. 164.

60 Baikie, Eg. Antiq., 1932, p. 112.

61 Dat door deze uitspraak de kolossale egyptische pyramiden niet volledig worden verklaard, moet uitdrukkelijk naar voren worden gebracht. Slechts ter orienteering en tegen de speculaties betreffende de pyramide van Cheops, is zij dienstig. Het wezen der egyptische bouwkunst hoop ik op andere plaats na te gaan.

62 Zts. D. Morgl. Ges., 1927 (Deutscher Orientalistentag Hamburg), p. XXXIX v.

63 R. Lepsius, über den Bau der Pyramiden (Ak. Berl. 1843, p. 177-203).

64 Ed. Meyer (Gesch. d. Alt., I, 2, 1921, p. 177), meent dat Lepsius' theorie, door Maspero, Perrot-Chipiez en Petrie bestreden, door Borchardt in hoofdzaak als juist bewezen is. — Inderdaad heeft Borchardt aanvankelijk de theorie in hoofdzaak onderschreven (zie Baikie, Eg. Antiq., 1932, p. 110 vv). In „Entstehung" evenwel, heet Lepsius' theorie een „Irrtum" (p. 2). Iets vroeger schreef Borchardt, dat zij „endgültig zu den Akten geschrieben" is (Zts. D. Morgl. Ges., 1927, p. XL; D. Orientalistentag Hamburg).

65 Amél ineau, Hist. de la Sépult., 1896, p. 42 vv.

66 Herod. II, 127.

67 Ed. Meyer, Aeg. Chron., 1904, p. 105 v.

68 Cambridge Anc. Hist., I, 1924, p. 291. - Ook een regeering van minstens 75 jaar, wordt voor Pepi II genoemd (Baikie, Eg. Antiq., 1932, p. 111).

69 Een der pyramiden te Saqqara; grondvlak ± 75 X 75 meter, hoogte ± 30 meter (W. Budge, The Ni Ie, 1912, p. 534).

70 I, p. 214 w.

71 l'Archéol. Eg., 1887, p. 127.

72 Fl inders Petrie reeds in 1881 (Baikie, Eg., Antiq., p. 110).

73 Op voltooiing, na den dood van den bouwheer, was in Egypte in het algemeen weinig te hopen. Voor plundering, •ook van bouwmateriaal, des te meer te vreezen. „Piëteit is trouwens nooit de sterke zijde der Egyptenaren geweest", (de Buck, Eg. Verhalen, 1928, p. 6). Zie ook: Kees, Totenglauben, 1926, p. 149. -

74 Lepsius, p. 195.

75 Borchardt, Gegen die Zahlenmystik, 1922, p. 4 v.

76 Duidelijk geteekend in de doorsnede der pyramide van Sahoere, 5e dyn. (afb. zie Curtius, Antike Kunst, I, 1923, Abb. 29, naar Borchardt).

Sluiten