Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het m Engeland ook verschijnen. In de nationale schoenfabricatie worden meer schoenen en laarzen gefabriceerd en toch minder arbeiders tewerk gesteld; de Cementbedrijven produceerden in het jaar 1933, met minder werkvolk, 62 percent meer cement dan gedurende 1925. Heden is het debiet van zekere machines reeds zoodanig opgevoerd dat de nieuwe machines bij lagere investeeringskosten toch méér produceeren en minder vloeroppervlakte benoodigen, m.a.w. dat de fabricage in kleinere fabrieksgebouwen ondergebracht kan worden. Als gevolg hiervan wordt er heel weinig koopkracht onder het werkvolk verdeeld gedurende de constructie van dat onroerend bezit en in het geheel niet gedurende het totaal geautomatiseerde bedrijf voor de productie der veibruiksg'oederen.

Dit is dan ook de reden die ons dwingt ons monetair systeem, dat thans nog een systeem van ruil van koopkracht tegen afgeleverden arbeid of afgeleverde goederen is, te veranderen. Want zoodra een artikel in overvloed geproduceerd wordt, bezit het geen ruilwaarde meer. Daarom zijn wij genoodzaakt tot een systeem van algeheele distributie over te gaan. „Want alle dingen zijn van u"!

Het is juist het „Tekort" dat aan goederen „finantieele waarde" geeft. En daarom zal „gezond financiewezen" alles, ja zelfs zichzelven langzamerhand vernietigen om aan het nog overblijvende deel finantieele waarde te geven. Mr. G. Hutton van het tijdschrift „The Economist" drukt zich als volgt uit: „De Economie berust feitelijk op het begrip van relatieve waarden van goederen en diensten. De ruil berust op deze relatieve waarden. Slechts de goederen die relatief schaars zijn in vergelijk tot andere goederen, d.i. wier beschikbare hoeveelheid onvoldoende is om aan de algeheele behoefte te voldoen, hebben een waarde en zijn ruilbaar". — Dientengevolge zijn onze producten thans, nu wij hen in overvloed kunnen fabriceeren, waardeloos geworden. Dit heeft ook op het geld zelf toepassing en daarom kan de politiek der tegenwoor-

Sluiten