Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bretsneider, een beroemd godgeleerde, zegt (Theologie 1ste deel bladz. 469): „Al de vroegere sporen van den kinderdoop zijn zeer onzeker. Tertullianus is de eerste, die er gewag van maakt, en hij veroordeelt het gebruik. Origenes en Cyprianus daarentegen verdedigen het. In de 4de eeuw werd deszelfs geldigheid algemeen erkend, ofschoon de kerkvaders het gedurig noodzakelijk vonden tegen het uitstellen van den doop te waarschuwen. Pelagius waagde het zelfs niet om de juistheid er van te betwisten. Augustinus wees op de afwassching der erfzonde, als het bepaalde doel van den doop bij de kinderen, en door zijne voorstellingen werd de algemeene verbreiding er van bevorderd."

De eerste vermelding van den kinderdoop door Tertullianus, wordt gevonden in zijn boek De Baptismo, Cap. 18, en gelijk Migné, de verzamelaar van Tertullianus' geschriften, in zijne Aanmerkingen (Parijs 1834) verzekert, is dit werk gericht tegen Quintilla, eene zoogenaamde profetes, die omtrent het jaar 200 hare dwalingen te Carthago verspreidde; gelijk ook blijkt uit het opschrift: Adversus Quinlillam. Dit feit bevestigt zijn standpunt, en bewijst tevens dat de kinderdoop van ketterschen oorsprong is. Tertullianus zegt:

„Dat de doop niet lichtvaardiglijk behoort bediend te worden weten de bedienaars. „Geeft aan een ieder die er om vraagt, een ieder komt hem toe" alsof het een aalmoes ware! „Ja, zegt liever, geeft het heilige den honden niet, en werpt uwe paarlen niet voor de zwijnen ! Leg niemand haastelijk de handen op, en heb geen gemeenschap aan anderer zonden I" Indien Filippus den kamerling onverwijld doopte, zoo laat ons bedenken, dat het onder de bijzondere

leiding Gods geschiedde God, in Zijne goedertierenheid schenkt

Zijne gunst gelijk het Hem behaagt; maar onze wenschen kunnen onszelven en anderen misleiden. Het is daarom zeer raadzaam om den doop uit te stellen, en deszelfs bediening te regelen naar den toestand, gesteldheid en ouderdom der doopelingen, en voornamelijk in het geval van kinderen. Want wat noodzaak is er, dat de borgen in gevaar gebracht worden ? Zij kunnen zelve door den dood in de vervulling hunner verplichtingen verhinderd, alsook door de ontwikkeling der booze natuur teleurgesteld worden. Het is waar, de Heer zegt: „Verhindert hen niet tot mij te komen." Laat hen komen, terwijl ze opwassen ; laat hen komen en leeren en laat hen onderwezen worden tot Wien zij komen moeten ; en wanneer zij Christus kennen, laat hen dan belijden dat zij Christenen zijn. Waarom zou de onschuldige jeugd zich haasten tot de vergeving der zonden ? Menschen handelen voorzichtiger in aardsche aangelegenheden ; en zouden hier hemelsche dingen toevertrouwd worden aan zulken, aan wie men geen aardsche toevertrouwen zoude ? Laat

Sluiten