Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de H. Geest op hen en zij spraken met vreemde talen en profeteerden."

Prof. Grosheide zegt van dit verschijnsel in de Chr. Encycl Art. Glossolalie deel II pag. 340 :

„De Glossolalie duurt voort tot in de 2de eeuw ; dan houdt ze evenals de andere bijzondere gaven des Geestes op. Ze is niet meer noodig. Na het Montanisme is van echte glossolalie geen sprake meer. Wel is kunstmatig getracht bij allerlei zoogenaamde Pinksterbewegingen de glossolalie te doen herleven. Er werden wilde klanken geuit in hevige ontroering. Dit alles is echter niet dan een in geestvervoering onder invloed van Hand. 2 zich uiten in onverstaanbare klanken".

Op zich zelf genomen waren de Charismata of geestelijke gave naar 1 Cor. 12—14, waaronder ook genoemd wordt de glossolalie een belangwekkend verschijnsel in de Corintische gemeente.

Dit spreken van „talen" was niet een spreken in een andere taal, die ergens elders gesproken werd, maar een spreken in verrukking en dus een uitstooten van klanken, die wel met de diepere beweging der ziel samenhingen en dus niet zinloos waren, maar toch niet door een gewoon hoorder konden worden verstaan. 1 Cor. 14 : 19 „Ik wil liever inde gemeente vijf woorden spreken met mijn verstand, opdat ik ook anderen moge onderwijzen, dan tien duizend woorden in een vreemde taal" In dit klankenwonder deed zich het ongewoon verschijnsel .voor dat het verstand werkeloos bleef en dat toch de tong klanken uitstootte.

We zien in 1 Cor. 12—14 dat Paulus hier niet spreekt 'om de gave der talen in de hoogte te steken, maar juist andersom de overdreven waarde, die men daaraan toekende, te bestrijden. 1 Cor. 14 : 4 „die een vreemde taal spreekt, die sticht zich zeiven ; maar die profeteert sticht de gemeente."

Voorts mag de vergelijking waarvan de Apostel zich bedient in 1 Cor. 13 : 11 tot de gedachte leiden dat in de loop der tijden een verandering zou komen in de openbaring van deze bijzondere gaven. „Toen ik een kind was sprak ik als een k i n d." Profetie en glossolalie gaan daarna over in ' de bezielde prediking en de bewuste onderwijzing.

. Chrysostomus die leefde in de 4e eeuw na Chr. (347—407) zegt reeds dat de omstandigheden waarover Paulus hier handelt in de gemeente van zijn tijd niet meer bestonden (F., Godet le Cor. brief vert. door Dr. G. Keizer). Zie voorts Aant. 2.

Ten laatste beroemt zich nog de Pinkstergemeente op haar

Sluiten