Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoe gering en nietig zij ook moge zijn, nochtans verzekerd is van 's Heeren nabijheid. Mogen we iets van die nabijheid des Heeren gevoelen, wanneer we het Woord des Heeren openen bij Zefanja, hoofdst. 3 vs. 16—18.

„Te dien dage zal tot Jeruzalem gezegd worden: Vrees niet, o Zion! laat uwe handen niet slap worden. De Heere, uw God, is in het midden van U, een Held, die verlossen zal; Hij zal over U vroolijk zijn met blijdschap, Hij zal zwijgen in zijne liefde, Hij zal zich over U verheugen met gejuich. De bedroefden, om der bijeenkomst wil, zal Ik verzamelen, zij zijn uit U; de schimping is een last op haar."

In de dagen van Josia, koning van Juda, waren op zijn bevel vele hervormingen ingevoerd. De koning zelf begon den God zijns vaders Davids te zoeken toen hij nog een jongeling was van 16 jaar. Gevolg, hiervan was, dat hij Juda en Jeruzalem begon te reinigen van de hoogten en de bosschen en de gesneden en de gegoten beelden. Ook liet hij het huis des Heeren, zijns Gods, verbeteren en daartoe ook gewillige offeranden opbrengen. Het gevonden wetboek werd weder in eere hersteld en overeenkomstig Gods ordinantiën werden de priesterlijke diensten weder geregeld, de feesten hersteld en alzoo gedaan wat door den koning kon gedaan worden tot reformatie. Echter was het niet in zijne macht om het volk de vreeze Gods in het hart te storten. Het volk bleef dan ook grootendeels goddeloos. Hiertegen nu verwekt de Heere den profeet Zefanja. In den naam des Heeren bestraft hij het volk wegens afgoderij, afval, verzuim van onderzoek der waarheid, ijdele kleeding, verdrukking van de geringen door aanzienlijken, enz. En in het 3de hoofdstuk zijner profetiën wordt zelfs het „wee" uitgesproken over Jeruzalem en nog wel nadat in het 2de hoofdstuk de Filistijnen, Moabieten, Mooren en de stad Ninevé zijn bestraft. Hiermede toch wil de profeet te kennen geven, dat Jeruzalem, waar de Heere zooveel boven deze heidenen had geschonken, ook zooveel zwaarder oordeel heeft te duchten bij zoo ontzettende verwerping van Gods Verbond. Dit „wee" gaat echter gepaard met teedere vermaningen en beloften. De kastijding des volks zal eens een einde hebben, ze zullen uit

Sluiten