Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voortkomende, waarom hij uitroept: „Juda! gij zijt het", Gen. 49 : 8. En die Middelaar noemt hij als de Silo, de rust, rustdrager of -brenger. De beroering op aarde en in het leven der vromen zal dus door dezen Silo wijken. Daartoe zou Hij weder de gemeenschap met den hemel herstellen. Jakob had nu ontvangen de belofte, maar de vervulling zou nog toeven. Vandaar dan ook, dat hij eene voorwaardelijke gelofte doet. Hij zegt: „Wanneer God met mij geweest zal zijn, en mij behoed zal hebben op dezen weg, dien ik reize, en mij gegeven zal hebben brood om te eten, en kleederén om aan te trekken; en ik ten huize mijns vaders in vrede zal wedergekeerd zijn: zoo zal de Heere mij tot een' God zijn!" Want wel wordt hier niet bedoeld, dat Jakob er nog aan twijfelde, dat God hem zóu onderhouden en sterken; maar toch toont de gelofte zelve en haar vorm, dat Jakob nog niet klaarlijk zag, wat eerst met Christus' komst is geopenbaard. De opening des hemels was hém "wel getoond in den droom, maar tevens wist hij, dat de Silo, die de vervulling zou schenken, nog moest komen.

Nu echter is de Silo gekomen, nu is de hemel geopend, nu i» God met ons, nu behoudt Hij ons op de reize, nu geeft Hij brood om te eten en kleederen om aan te trekken, nu keert gij weder in vrede naar 's Vaders Huis. Weet echter, dat al deze weldaden alleen te genieten zijn in Christus en door Hem. Het komt er juist op aan of we in Christus gelooven. Zoo niet, dan is de komst van Christus voor ons ten verderve. Dan stooten we ons aan den steen, die juist gegeven was opdat we in het 'midden van het moeras zouden vast staan. Die niet in Christus gelooven, genieten nog wel eenige weldaden uit den hemel, maar de voornaamste weldaad, n.1. de gerechtigheid en het eeuwige leven, genieten ze niet. En dan zijn dezulken nog menigmaal zoo dwaas om zich op hun aardsch geluk te beroemen en daarop maar rustig voort te leven, terwijl ze niet eens beseffen, dat ze in de stervensure alles moeten achterlaten. En dan geene gerechtigheid, geen eeuwig leven, maar integendeel dood en verderf! Die niet in Christus gelooven, zij missen ook de troostvolle tegenwoordigheid Gods. O, ze vleien vaak zichzelven en anderen en zeggen, dat men niet zoo ernstig moet denken, want God is toch goed, Hij is liefde en daarom zal alles wel goed afloopen. En merkt nu eens op, dat deze zelfde menschen in. tijden van ziekte, van rouw,

Sluiten